VOLKSKRANT

Laura van der Haar weet een getroebleerd personage genuanceerd en fris neer te zetten

Door: Persis Bekkering

Vikki heeft een verrassing voor haar beste vriendin. Echt een héle leuke verrassing, zegt ze, en ze rookt expres nog een peuk om tijd te rekken. Vikki leidt haar de trap op naar haar slaapkamer, en wanneer het meisje eindelijk haar ogen mag openen, ziet ze dat de hele kamer slordig zwart is geverfd. Was dat de verrassing? 'Zwart is toch je lievelingskleur?', zegt Vikki.


Iedereen heeft wel een Vikki gekend. Een verwaarloosd meisje dat alles durft, dat in wondjes peurt en je vervolgens het wondvocht wil laten ruiken. Een meisje dat eerder dan iedereen begint met roken, drinken en jongens. Het spannende van kattenkwaad ruikt bij een Vikki al vroeg naar criminaliteit. In Het wolfgetal, de debuutroman van Laura van der Haar, heeft de jeugdige verteller een innige, bijna verliefde vriendschap met Vikki, ergens in een provinciestad in de jaren negentig. Ze is mateloos door haar gefascineerd, laat zich gewillig door haar meetronen op boevenpad. Haar ouders drijft ze tot wanhoop, maar dat doet haar niets. Vikki is van haar en zij is van Vikki.

Bijzonder is het hoe genuanceerd en fris Van der Haar zo'n bijna archetypisch getroebleerd personage weet te beschrijven: 'Na een uurtje samen lijkt alles beslagen, ikzelf incluis.' 'Bij iedere windstoot strijken haar krullen langs mijn gezicht, ze ruiken naar haren, binnenhaar, er zit een vleugje rook in, slecht opgedroogde kleding en braadolie. Daar ruik je nu duidelijk de wind doorheen.'

Van der Haar (1982), die in 2014 debuteerde met de dichtbundel Bodemdrang, is het sterkst in dit soort details. Ze dompelt je onder in de wereld van pubers in de jaren negentig: jeans van het merk Cars, Toni Braxton, Lange Jannen en Wokkels en de Pennierekening.

Subtiel en minder subtiel schetst ze ook de klasseverschillen tussen de personages. De straat waar de verteller woont, ligt erbij 'als het gebit van Dikke Henry'. Schoolvriendin Margje, uit een betere buurt, moet van haar moeder haar fiets altijd met een droog vaatdoekje afdrogen voor ze die in de berging zet - een raak portret van de hogere, maar zuinige Hollandse middenklasse.

Van der Haar strooit genereus met dit soort rijke, zinnelijke observaties. Dat is essentieel, want heel lang gebeurt er niet zoveel in Het wolfgetal. De eerste helft van het boek bestaat uit korte scènes, waarin de bazige maar intens liefdevolle Vikki de verteller inwijdt in de wereld die eigenlijk van volwassenen is. Tussendoor lezen we citaten uit een forensisch rapport, dus dat er uiteindelijk iemand doodgaat, is meteen duidelijk. Dat gegeven zet het verhaal lichtelijk onder druk, terwijl de landerigheid van de vroege tienerjaren tegelijkertijd alle ruimte krijgt.

De beklemming neemt toe wanneer de twee naar verschillende middelbare scholen gaan. Ze blijven elkaar zien, maar Vikki ontspoort en gedraagt zich op het agressieve af jaloers. Uiteindelijk ontploft de vriendschap, zoals te verwachten is in een coming-of-ageroman.

Van der Haar blijft trouw aan de belevingswereld van haar personages, op een ambachtelijk rigide manier. Het maakt het boek geloofwaardig, maar het nadeel is wel dat het proza soms te puberaal wordt, te melig. Ruzie om een jongen, lachen om remsporen in een onderbroek, de morbide details van een lichaam na verdrinkingsdood: ja, het hoort erbij, en voor deze dappere schrijver is niets te gory. Maar soms mis je de diepgang, het inzicht dat je van je stuk brengt, juist omdat het allemaal zo herkenbaar is. Maar dan volgt er een prachtig, teder slot, en maakt de roman toch nog een onuitwisbare indruk.