TROUW

YOLANDA ENTHIUS

Beklemmend debuut over ontsporende vriendschap en een jeugd zonder dromen. 

Wat is het eigenlijk afschuwelijk om een meisje te zijn, dacht ik halverwege ‘Het wolfgetal’ van Laura van der Haar. Wat is het afschuwelijk om zó’n meisje te zijn. Een meisje als Vikki, emotioneel verwaarloosd door haar gesjeesde hippiemoeder die aan chanten en rebirthen doet in plaats van opvoeden. Een meisje als de ik-figuur (die geen naam krijgt), die zich in haar puberale opstandigheid met huid en haar overgeeft aan haar vriendschap met dit losgeslagen meisje. Een meisje als Margje dat, nog geen 15, na bezoek aan discotheek ‘Thats it’ gelegen ergens aan ‘de plassen’ niet meer huiswaarts keert.

Er is te veel gedronken, er zijn te veel hormonen, jongens willen, meisjes ook, of maar half en nauwelijks wetend wát precies. Margje heeft de dansvloer ondergekotst. Ze wordt de tent uitgezet, samen met Vikki en de ik. Het idee is Margje naar huis te brengen. Maar in het boothuis wacht Lucas op het ik-meisje; dat heeft Vikki zo geregeld. Vannacht gaat het ervan komen. Dus wat doen we met Margje, dat dronken blok aan het been dat telkens van haar fiets flikkert? Je hijst haar omhoog en duwt haar “als een peuter met zijwieltjes vooruit. ‘Hier wachten, oké?”’ ‘Uff’ is het korte antwoord. Het is verre van oké: de volgende ochtend is Margje vermist. ’t Loopt tegen Kerst.

Plot verklapt? Niet echt. De roman zelf vermeldt al op de eerste pagina dat in zaak-zus-en-me-zo op 9 januari een lichaam uit het water wordt gehaald. Dat het met iemand mis zou gaan, weten we dus van meet af; dat Margje het zal zijn vermoedden we al snel. Over het hoe en waarom handelen (kort door de bocht) de eerste tweehonderd pagina’s, over het vervolg en de gevolgen ervan de laatste tweehonderd.

Vikki, Margje en de ik-figuur. Drie meisjes. De een woont in dé wijk - is het inderdaad die wijk aan de andere kant van ‘Het laakie’, de ‘achterbuurt’ die later de ‘Schilderswijk’ ging heten? - de ander in een mooi huis aan de plassen met een zwembad binnen en buiten; de derde, ‘ik’, woont daar ergens tussenin, aan een dijk met ouders die zich zorgen maken, én terecht.

Alles trof me als somber, zwart en afschuwelijk aan deze roman. Heel goed gedaan dus. Maar wat een gevangenis: zo’n puberteit waarin de driften het overnemen en je tegelijkertijd doet wat er van je wordt verwacht, waarin je de speelbal wordt van anderen en als vanzelf beloftes doet en wezenloze seks bedrijft, in een wijk waar, voor wie er geboren en getogen is, geen ontsnappen aan lijkt. Door dat woord ‘wijk’ (‘ónze wijk’) en de oververhitte, meedogenloze vriendschap tussen de ‘ik’ en Vikki (‘Jij houdt nu het allermeest van mij, toch?’) moest ik aan de Napolitaanse romans van Ferrante denken, vooral aan het slot. Dat soort beklemming, maar dan zonder Camorra, en opvallend genoeg ook zonder verlangen, strijd en ambitie ervan weg te trekken of er juist te blijven om er wat aan doen. Er wordt niet of nauwelijks gedroomd door de meisjes. Als de ‘ik’ na gehannes met een vriendje op een grasveld achter de kermis naar zijn piemel kijkt - die vies is maar ontspannen - concludeert ze dat ze nu dus wel echt verliefd moet zijn. Verder dan dat komt het niet.

Ik miste een tegenkleur, hoop, licht aan de horizon. Maar wat wil je als je zo idolaat bent van je vriendin dat ze als ‘de zon’ voor je is? En als die zon dan een meisje is dat, als verrassing voor jou, de muren van haar kamer zwart heeft geverfd (‘Zwart is toch je lievelingskleur?’), zijn de kaarten wel geschud misschien.

Van der Haar doet dat overtuigend. In plastische, zintuiglijke taal ga je met haar kopje-onder. Pissebedden worden als zonnebloempitten doormidden gebroken, waarna de jonge pisjes naar buiten kruipen. Frietjes worden door de mayonaise en de ‘groen-witte plets’ van vogels gehaald, piemels wurmen zich in alle standen, kleuren, maten uit hun broeken. Vikki heeft gepijpt tot haar gehemelte er kapot van is. De nacht is zwart, het asfalt, het opgezwollen hoofd van Margje, de plassen, de hemel. En de telescoop die je van je vader kreeg mag je niet op de zon richten. “Als ik zonnevlekken wil tellen kan ik die op een papiertje bekijken met de lens omgekeerd, legt hij me uit, maar de telescoop is toch alleen leuk in het donker.”