TROUW

YOLANDA ENTHIUS

Beklemmend debuut over ontsporende vriendschap en een jeugd zonder dromen. 

Wat is het eigenlijk afschuwelijk om een meisje te zijn, dacht ik halverwege ‘Het wolfgetal’ van Laura van der Haar. Wat is het afschuwelijk om zó’n meisje te zijn. Een meisje als Vikki, emotioneel verwaarloosd door haar gesjeesde hippiemoeder die aan chanten en rebirthen doet in plaats van opvoeden. Een meisje als de ik-figuur (die geen naam krijgt), die zich in haar puberale opstandigheid met huid en haar overgeeft aan haar vriendschap met dit losgeslagen meisje. Een meisje als Margje dat, nog geen 15, na bezoek aan discotheek ‘Thats it’ gelegen ergens aan ‘de plassen’ niet meer huiswaarts keert.

Er is te veel gedronken, er zijn te veel hormonen, jongens willen, meisjes ook, of maar half en nauwelijks wetend wát precies. Margje heeft de dansvloer ondergekotst. Ze wordt de tent uitgezet, samen met Vikki en de ik. Het idee is Margje naar huis te brengen. Maar in het boothuis wacht Lucas op het ik-meisje; dat heeft Vikki zo geregeld. Vannacht gaat het ervan komen. Dus wat doen we met Margje, dat dronken blok aan het been dat telkens van haar fiets flikkert? Je hijst haar omhoog en duwt haar “als een peuter met zijwieltjes vooruit. ‘Hier wachten, oké?”’ ‘Uff’ is het korte antwoord. Het is verre van oké: de volgende ochtend is Margje vermist. ’t Loopt tegen Kerst.

Plot verklapt? Niet echt. De roman zelf vermeldt al op de eerste pagina dat in zaak-zus-en-me-zo op 9 januari een lichaam uit het water wordt gehaald. Dat het met iemand mis zou gaan, weten we dus van meet af; dat Margje het zal zijn vermoedden we al snel. Over het hoe en waarom handelen (kort door de bocht) de eerste tweehonderd pagina’s, over het vervolg en de gevolgen ervan de laatste tweehonderd.

Vikki, Margje en de ik-figuur. Drie meisjes. De een woont in dé wijk - is het inderdaad die wijk aan de andere kant van ‘Het laakie’, de ‘achterbuurt’ die later de ‘Schilderswijk’ ging heten? - de ander in een mooi huis aan de plassen met een zwembad binnen en buiten; de derde, ‘ik’, woont daar ergens tussenin, aan een dijk met ouders die zich zorgen maken, én terecht.

Alles trof me als somber, zwart en afschuwelijk aan deze roman. Heel goed gedaan dus. Maar wat een gevangenis: zo’n puberteit waarin de driften het overnemen en je tegelijkertijd doet wat er van je wordt verwacht, waarin je de speelbal wordt van anderen en als vanzelf beloftes doet en wezenloze seks bedrijft, in een wijk waar, voor wie er geboren en getogen is, geen ontsnappen aan lijkt. Door dat woord ‘wijk’ (‘ónze wijk’) en de oververhitte, meedogenloze vriendschap tussen de ‘ik’ en Vikki (‘Jij houdt nu het allermeest van mij, toch?’) moest ik aan de Napolitaanse romans van Ferrante denken, vooral aan het slot. Dat soort beklemming, maar dan zonder Camorra, en opvallend genoeg ook zonder verlangen, strijd en ambitie ervan weg te trekken of er juist te blijven om er wat aan doen. Er wordt niet of nauwelijks gedroomd door de meisjes. Als de ‘ik’ na gehannes met een vriendje op een grasveld achter de kermis naar zijn piemel kijkt - die vies is maar ontspannen - concludeert ze dat ze nu dus wel echt verliefd moet zijn. Verder dan dat komt het niet.

Ik miste een tegenkleur, hoop, licht aan de horizon. Maar wat wil je als je zo idolaat bent van je vriendin dat ze als ‘de zon’ voor je is? En als die zon dan een meisje is dat, als verrassing voor jou, de muren van haar kamer zwart heeft geverfd (‘Zwart is toch je lievelingskleur?’), zijn de kaarten wel geschud misschien.

Van der Haar doet dat overtuigend. In plastische, zintuiglijke taal ga je met haar kopje-onder. Pissebedden worden als zonnebloempitten doormidden gebroken, waarna de jonge pisjes naar buiten kruipen. Frietjes worden door de mayonaise en de ‘groen-witte plets’ van vogels gehaald, piemels wurmen zich in alle standen, kleuren, maten uit hun broeken. Vikki heeft gepijpt tot haar gehemelte er kapot van is. De nacht is zwart, het asfalt, het opgezwollen hoofd van Margje, de plassen, de hemel. En de telescoop die je van je vader kreeg mag je niet op de zon richten. “Als ik zonnevlekken wil tellen kan ik die op een papiertje bekijken met de lens omgekeerd, legt hij me uit, maar de telescoop is toch alleen leuk in het donker.”

HEBBAN

Magneetvriendschap

op 02 april 2018 door Daphne van Rijssel   

Wekelijks belanden er vele tientallen boeken op de redactie van Hebban. Boeken die ons hart sneller laten kloppen. Boeken die ons smeken om gelezen te worden. Wekelijks vertellen de mensen achter Hebban je over hun eigen leeservaringen in de Hebban Crew Reviews. Daphne las 'Het wolfgetal' van Laura van der Haar.

Eind jaren negentig. De ik-figuur uit Het wolfgetal van Laura van der Haar (1982) groeit op in een standaardgezin en leeft een redelijk doorsnee leven. Tot ze elf is en Vikki in haar leven komt. Vikki is allesbehalve doorsnee. Ze is grensverleggend, manipulatief, impulsief en instabiel. Maar op de ik-figuur – die gedurende het hele boek naamloos blijft- heeft ze een magnetische werking. In plaats van ver uit haar buurt te blijven, brengt ze hele dagen met Vikki door, tot ongenoegen van haar ouders. Vikki sleept haar vriendin mee in haar destructieve gedrag: seks, drank, drugs; niets langzaam opbouwen, gewoon doen. Vaak weet de ‘ik’ zelf ook wel dat Vikki’s gedrag niet normaal is, maar liever dan zich ervan te distantiëren wil ze bij haar blijven. Zo lang en zo veel mogelijk. En dus doet ze met haar mee, wat Vikki haar ook maar oplegt.
 

"In de tussenuren drinken Vikki en ik Stroh-rum. Vikki drinkt het omdat de wereld dan beter past bij hoe ze zich voelt, ik drink het omdat zij het drinkt. Dat de wereld daardoor beter klopt is mooi meegenomen."


Vikki wil de wereld ontdekken, maar dan wel op háár manier. Eigenlijk is deze ontdekkingstocht veel meer een zoektocht naar zichzelf, naar een manier om het leven zo goed mogelijk aan te kunnen. Meerdere keren wordt duidelijk dat Vikki veel met de dood bezig is. Van haar vriendin verlangt ze in de vriendschap volledige toewijding en aanpassing, en die krijgt ze. De ‘ik’ manoeuvreert zich in iedere situatie steeds precies zo dat haar vriendin weer tot bedaren komt.
 

“ ‘Jullie zijn allemaal hetzelfde!’
‘Wie jullie?’
‘Jij en Margje en de hele kutwereld! Jullie peren ‘m allemaal!’
‘Het tocht hier. Ik ga even limo halen, wil je ook?’ Rond Vikki’s woede moet je ruimte scheppen, zodat die rond kan kolken en dan wegdrijven.”


Dat maakt de vriendschap beklemmend maar vooral ook verslavend. Afstoten, aantrekken, afstoten, aantrekken. 
'Ik vind het fascinerend dat iemand die zo donker kan zijn, zo'n aantrekkingskracht heeft', vertelt Van der Haar in VPRO Boeken. 'Hoe ver ga je als iemand je zo op de proef stelt? Waar stopt het?' Ruimte voor andere vriendinnen krijgt de ik-figuur in deze roman eigenlijk niet. Klasgenoot Margje – door Vikki steevast Margerientje genoemd- is dan ook een bedreiging en wordt allesbehalve subtiel door Vikki weggeduwd van de ‘ik’. Tot een uitgaansavond volledig uit de hand loopt en alles verandert. Geheel uit het niets komt het onheil niet, de stukken tekst uit een forensisch rapport, die tussen de hoofdstukken door zijn opgenomen, maken vanaf het begin van de roman duidelijk dat er iets vreselijks is gebeurd. 
 

"Er was sprake van gasvorming in weefsels en lichaamsholten."


Toch blijft de spanning constant voelbaar. Het gaat in deze debuutroman niet om ontrafelen of ontmaskeren, maar om de spanning rondom de verslavende en verwoestende kracht van een pubervriendschap. Het lugubere drama zorgt niet voor een breuk tussen de ik en Vikki. Sterker nog, Vikki’s manipulatieve gedrag wordt erger en erger en beide meisjes lijken te ontsporen. De stukken uit het autopsierapport gaan over op quotes uit een psychodiagnostisch rapport. Ergens wil je de hoofdpersoon steeds toeroepen dat ze afstand moet nemen en Vikki de rug toe moet keren, maar aan de andere kant voel je de kracht van hun vriendschap. 

Het is vooral Van der Haars schrijfstijl die de lezer aan het boek gekluisterd houdt. Scherp en precies passend bij de gedachtewereld van puberende meisjes schetst ze beelden die je als een film voor je ziet. Haar observaties zijn zowel grappig als beklemmend. Voor iedereen die zelf kind of puber was in de jaren negentig is Het wolfgetal een feest van herkenning. De Pennie Rekening, flippo’s, Maroussia parfum, BenBits, de Hitkrant, smurfensnot, Axe Africa, je zintuigen staan vanzelf op scherp. 'Ik kan goed inzoomen op hoe het leven toen was', aldus de debutante. 'Ik kan heel veel uit mijn geheugen halen.' Daarnaast heeft Van der Haar veel gehad aan alle schoolschriften die haar ouders voor haar bewaarden.

Situaties en omgevingen worden in Het wolfgetal eigenzinnig, maar tegelijk zo herkenbaar beschreven. De ‘ik’ heeft gedachten die je zelf waarschijnlijk onbewust ook hebt maar misschien nooit helemaal afmaakt, laat staan uitspreekt. Van der Haars poëzietalent is terug te zien in haar zinnen, die melodieus, beeldend en tegelijkertijd rauw zijn en niet onnodig verfraaid. Bij sommige zinnen zoek je tevergeefs naar leestekens, om bij een tweede lezing te ontdekken dat die leestekens er inderdaad niet horen. Zonder wordt de taal van de hoofdpersonen veel echter. De minipodcasts die de debutante maakte geven de sfeer van Het wolfgetal en haar stilistische kracht goed weer.

Eens in de zoveel tijd lees je een debuut dat nog dagen na het lezen blijft nazinderen. Twee jaar geleden was dat Het smelt van Lize Spit, dit jaar Het wolfgetal van Laura van der Haar. ‘Ik hoop dat ik voor mekaar heb gekregen dat je het verhaal gelooft’. En dat heeft ze. Wat een debuut, ga dit lezen. Na de eerste zin kun je niet meer stoppen, beloofd. 

VOLKSKRANT

Laura van der Haar weet een getroebleerd personage genuanceerd en fris neer te zetten

Door: Persis Bekkering

Vikki heeft een verrassing voor haar beste vriendin. Echt een héle leuke verrassing, zegt ze, en ze rookt expres nog een peuk om tijd te rekken. Vikki leidt haar de trap op naar haar slaapkamer, en wanneer het meisje eindelijk haar ogen mag openen, ziet ze dat de hele kamer slordig zwart is geverfd. Was dat de verrassing? 'Zwart is toch je lievelingskleur?', zegt Vikki.


Iedereen heeft wel een Vikki gekend. Een verwaarloosd meisje dat alles durft, dat in wondjes peurt en je vervolgens het wondvocht wil laten ruiken. Een meisje dat eerder dan iedereen begint met roken, drinken en jongens. Het spannende van kattenkwaad ruikt bij een Vikki al vroeg naar criminaliteit. In Het wolfgetal, de debuutroman van Laura van der Haar, heeft de jeugdige verteller een innige, bijna verliefde vriendschap met Vikki, ergens in een provinciestad in de jaren negentig. Ze is mateloos door haar gefascineerd, laat zich gewillig door haar meetronen op boevenpad. Haar ouders drijft ze tot wanhoop, maar dat doet haar niets. Vikki is van haar en zij is van Vikki.

Bijzonder is het hoe genuanceerd en fris Van der Haar zo'n bijna archetypisch getroebleerd personage weet te beschrijven: 'Na een uurtje samen lijkt alles beslagen, ikzelf incluis.' 'Bij iedere windstoot strijken haar krullen langs mijn gezicht, ze ruiken naar haren, binnenhaar, er zit een vleugje rook in, slecht opgedroogde kleding en braadolie. Daar ruik je nu duidelijk de wind doorheen.'

Van der Haar (1982), die in 2014 debuteerde met de dichtbundel Bodemdrang, is het sterkst in dit soort details. Ze dompelt je onder in de wereld van pubers in de jaren negentig: jeans van het merk Cars, Toni Braxton, Lange Jannen en Wokkels en de Pennierekening.

Subtiel en minder subtiel schetst ze ook de klasseverschillen tussen de personages. De straat waar de verteller woont, ligt erbij 'als het gebit van Dikke Henry'. Schoolvriendin Margje, uit een betere buurt, moet van haar moeder haar fiets altijd met een droog vaatdoekje afdrogen voor ze die in de berging zet - een raak portret van de hogere, maar zuinige Hollandse middenklasse.

Van der Haar strooit genereus met dit soort rijke, zinnelijke observaties. Dat is essentieel, want heel lang gebeurt er niet zoveel in Het wolfgetal. De eerste helft van het boek bestaat uit korte scènes, waarin de bazige maar intens liefdevolle Vikki de verteller inwijdt in de wereld die eigenlijk van volwassenen is. Tussendoor lezen we citaten uit een forensisch rapport, dus dat er uiteindelijk iemand doodgaat, is meteen duidelijk. Dat gegeven zet het verhaal lichtelijk onder druk, terwijl de landerigheid van de vroege tienerjaren tegelijkertijd alle ruimte krijgt.

De beklemming neemt toe wanneer de twee naar verschillende middelbare scholen gaan. Ze blijven elkaar zien, maar Vikki ontspoort en gedraagt zich op het agressieve af jaloers. Uiteindelijk ontploft de vriendschap, zoals te verwachten is in een coming-of-ageroman.

Van der Haar blijft trouw aan de belevingswereld van haar personages, op een ambachtelijk rigide manier. Het maakt het boek geloofwaardig, maar het nadeel is wel dat het proza soms te puberaal wordt, te melig. Ruzie om een jongen, lachen om remsporen in een onderbroek, de morbide details van een lichaam na verdrinkingsdood: ja, het hoort erbij, en voor deze dappere schrijver is niets te gory. Maar soms mis je de diepgang, het inzicht dat je van je stuk brengt, juist omdat het allemaal zo herkenbaar is. Maar dan volgt er een prachtig, teder slot, en maakt de roman toch nog een onuitwisbare indruk.

HUMO

Een coming-of-ageromandebuut over een giftige vriendschap tussen pubermeisjes in een milieu vol zelfverminking, frustratie en ontluikende seksualiteit. 

Druppelsgewijs en met poëtische beelden stevent het verhaal recht op een catastrofe af die de mysterieuze, verontrustende sfeer jammer genoeg te nadrukkelijk opheldert. In het begin log en schijnbaar overdreven zwaarmoedig, maar betoverend wanneer de puzzelstukken in elkaar beginnen te passen. Geen boek om vrolijk van te worden, tenzij van het tomeloze talent dat eruit spreekt.

ATHENEAUM ROETERSEILAND

DOOR YVETTE SLOTEMA

Dankzij Het wolfgetal van Laura van der Haar ben ik de afgelopen week even mee terug genomen naar mijn eigen pubertijd in de jaren negentig. Palladiums, wijde broeken en buiktruitjes, Tony Braxton en de eerste house eindeloos op repeat en urenlang hangen op bankjes met vrienden. Het is een ijzersterk debuut waar ondanks een onheilspellend plot vooral de taal voor een continue spanning zorgt.

Een tienervriendschap staat centraal in Het Wolfgetal. Het is eind jaren negentig en de ik-figuur en haar beste vriendin Vikki groeien op in een kleine voorstad. Tijdens de overgang van basisschoolleerling naar brugpieper naar hardcore puber ontdekken ze de wereld en zichzelf. Ze gaan steeds verder in grenzen verleggen. Met één constante: ze hebben altijd elkaar nog om op terug te vallen.

Op het eerste gezicht lijkt het een normale vriendschap; samen kikkerdril bestuderen, bij elkaar logeren en over jongens fantaseren. Maar in hoeverre is het gezond als zo’n vriendschap álles voor je betekent? Of is dat gewoon een dramatische uitspraak van een puber?

Van der Haar beschrijft de belevenissen van de twee meiden onwijs realistisch. Soms zo erg, dat je bijna het boek wilt wegleggen. Omdat je gruwelt van hoe pissebedden worden uitgeknepen of omdat je nekharen overeind gaan staan wanneer er een naald onder een duimnagel wordt geschraapt. Of uit schaamte voor het eerste gestuntel met drank en piemels. Je wordt door het beschouwende karakter van de hoofdpersoon zo het boek ingetrokken dat je alles meebeleeft.

Daarnaast zitten er ook pareltjes van vergelijkingen en zinnen in Het wolfgetal. Een stem die “omhoog schiet als limo door een rietje” of een arm die naar beneden “kwakt als nat afbakstokbrood.” Geen wonder dat Laura van der Haar al eerder het NK Poetry Slam won. Zelfs de boosheid en onmacht van een tienermeisje weet ze poëtisch ter verwoorden: “Beneden langs de dijk lijken de bomen wel gek. Hun wortels grijpen omlaag om daar de berm bijeen te houden, maar bovengronds proberen die bomen weer zo stil mogelijk te doen. Soms mag ik ze echt niet, bomen. Zo staan of er niks aan de hand is.”

Wie dus zin heeft in een goed debuut moet Laura van der Haar gaan lezen. Klamp je vast aan haar sterke schrijfstijl, geniet van haar humor en gevatheid en ga zo op een ‘trip down memory lane’.

VPRO-GIDS

katja de bruin, 20 maart 2018 

‘Kijk jij weleens naar je kutje?’ Laura van der Haar gaat er in 'Het wolfgetal' (Podium) met deze openingszin met gestrekt been in. 

Dankzij een fragment uit een forensisch rapport weten we dan al dat er een lijk gevonden gaat worden. Maar voordat dit komt bovendrijven, ontvouwt zich de giftige vriendschap tussen Vikki en de verteller, die in groep acht zitten. Dit zijn meisjes van elf die de Penny lezen en wokkels eten, maar al snel blijkt dat ze ook peuken roken en Stroh-rum drinken. Vikki’s gedrag baart iedereen zorgen, maar de ouders van de ik-figuur zijn ruimdenkende karnemelk- en roggebroodmensen die de vriendschap niet verbieden. Een rauwe, onheilszwangere roman met een onverwacht subtiel slot.

HARPER'S BAZAAR

VOOR DE WOLVEN

TALKING POINTS

door LIDDIE AUSTIN

 

Een nieuwe lente, een nieuwe Boekenweek, een nieuw geluid! Dat laatste komt deze maand van debutant Laura van der Haar (1982). Opgeleid als archeoloog won Van der Haar in 2012 het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam, ze publiceerde in 2014 de dichtbundel Bodemdrang en schrijft nu voor onder meer De Speld en Vice. Ook maakt ze de podcast Het Volkskrantgeluid. Zoals wel vaker bij debuten is haar nieuwe roman Het wolfgetal een coming of ageboek, ditmaal in de vorm van een toxicmeisjesvriendschap gegoten. En dat is een goede vorm, want is er voor een meisje in de puberteit iemand belangrijker dan haar beste vriendin?

De vertelster van het verhaal leert haar hartsvriendin op de basisschool kennen. De verhoudingen zijn van het begin af aan duidelijk: Vikki is de baas, de vertelster volgt. En dat doet ze met plezier, ook al is Vikki veeleisend, wispelturig en vaak domweg onaardig. Maar: ‘Alles wat zij zegt is heel erg waar, precies zo waar als iets maar waar kan zijn, meer waar nog dan een plus een is twee, want daar heb ik ook nog wel iets over te zeggen.’

We bevinden ons in de jaren negentig, in een plaatsje ergens aan de plassen. De meisjes zijn meestal bij Vikki thuis, waar haar spiritueel-angehauchte moeder doorgaans achter een gordijn zit te chanten of iets dergelijks, en ze hun gang kunnen gaan (lees: jenever drinken). De ontremde Vikki verlangt absolute trouw en devotie van haar vriendin. Maar hoezeer ze ook op de proef wordt gesteld, de vertelster kan op één ding rekenen: Vikki schrijft haar aan het einde van iedere dag een lief briefje. Margje, hun rijke klasgenootje, is een stuk minder spannend. Al heeft dit vijfde wiel aan de wagen ook haar aantrekkingskracht: ‘Bij haar hoef ik niet op mijn hoede te zijn als ze met een lieve stem iets vraagt, zij heeft gewoon een lieve stem.’ Vikki ziet in Margje – uiteraard – slechts een rivale.

Van kleine meisjes ontwikkelen ze zich tot full-blown pubers, Vikki uiteraard voorop, de vertelster er dapper achteraan. Vikki gaat naar Laura van der Haar de mavo, de vertelster laat zich onder protest – samen met Margje, wat niet het mooiste losmaakt bij Vikki – afvoeren naar het lyceum. De vertelsters ouders halen opgelucht adem: nu is ze tenminste los van die dominante Vikki. Maar daarin vergissen ze zich: buiten schooltijd zoeken de vriendinnen elkaar voortdurend op om te kletsen, te drinken, te roken en met jongens te klooien. Intussen haten ze alles en iedereen (Vikki maakt een uitzondering voor Hamka’s, Lambrusco, sigaretten en kaassoufflés, en de vertelster kan haar daarin, zoals in haast alles, alleen maar gelijk geven). Vaag hoort de vertelster haar ouders roepen dat het zo écht niet meer kan, zeggen dat ze niet álles hoeft te doen wat Vikki wil, haar iets vertellen over Vikki’s ‘gesteldheid’, maar het komt niet of nauwelijks binnen. En dan gaat het op een nacht onvermijdelijk mis – op vele fronten.

Laura van der Haar neemt de tijd om haar verhaal te vertellen en laat de beklemming geleidelijk oplopen. Ze weet duidelijk nog goed hoe het is om puber te zijn. Haar stijl is zelfverzekerd en soms grappig, vol zintuiglijke waarnemingen (een piemel is zo ‘hard als winegum’ – het zal wel even duren voordat ik die vergelijking ben vergeten). En zo wordt Het wolfgetaleen boek dat je in je gedachten onherroepelijk ook terugbrengt naar je eigen puberteit, je eigen relatie met je ouders in die periode, je eigen eerste ongemakkelijke seksuele ervaringen. Je eigen hartsvriendin.

‘Het wolfgetal’ van Laura van der Haar wordt uitgegeven door Podium

 

GROENE AMSTERDAMMER

Riskante meisjesliefde

door Lodewijk Verduin

7 maart 2018 – verschenen in nr. 10

‘Op hun binnenplaats, waar een dun laagje rijp over de brede grindtegels ligt, werkt ze aan een kunstwerk: ze heeft lieveheersbeestjes in haar broodtrommel verzameld en drukt die een voor een aan de doorns van de struik. Alsof het punaises zijn in de nokbalk van mijn kamer, zo langzaam drukt ze.’ Vikki, elf jaar oud, decimeert met zichtbaar plezier een paar dozijn weerloze insecten, terwijl de verteller, een meisje van ongeveer dezelfde leeftijd, schuldbewust maar gebiologeerd toekijkt. Dan stapt ze op haar af: de fascinatie wint het van het ongemak.

 

Dit is een kernscène uit Het wolfgetal, de debuutroman van Laura van der Haar (1982), waarin de belangrijkste verhoudingen bijna te symbolisch in kaart worden gebracht. Centraal staat Vikki, de brutale en imponerende telg van een probleemfamilie. Zij wordt gevolgd en beschreven door de verteller, een kleurlozer meisje uit een middenklassegezin dat betoverd is door de enigmatische Vikki. De verteller blijft zelf consequent in haar schaduw: in het boek krijgt ze niet eens een eigen naam. Ze klampt Vikki aan om te kunnen ontsnappen aan de anonimiteit, haar saaie ouders en hun deprimerende woonplaats: ‘Rondom de wijk: afrasteringen. Doodlopende slootjes, prikstruiken, bosjes die voor eeuwig in de klit zitten. En overal rasterhekken. Alsof ze alles expres zo verwaarlozen om die hekken maar kwijt te kunnen.’

Vikki zit nog op de basisschool, maar is al ver verwijderd van het ongeschonden, veilige kinderbestaan: haar onschuld – gesymboliseerd door die lieflijke insecten – heeft ze hardhandig om zeep geholpen. In plaats daarvan drinkt en rookt ze, flikflooit ze met foute jongens en geeft ze zich soms over aan zelfverminking en suïcidale gedachten. Ze is, kortom, de personificatie van de slechte invloed, de vrees van iedere bezorgde ouder.

De verteller ervaart daarentegen het contact met Vikki in eerste instantie als een bevrijding. Vikki opent een vreemde wereld vol verboden, en daarom spannende geneugten, maar bovenal biedt zij de verteller haar onvoorwaardelijke vriendschap, en daarmee ook geborgenheid, zelfs een nieuwe identiteit. Vikki schrijft bijna dagelijks brieven, belt haar continu, en neemt haar voortdurend op sleeptouw. Ze fietsen door de regio, glippen samen de kroeg in, zitten eindeloos op Vikki’s kamer over hun levens te praten.

Hun omgang wordt zo totaal dat die gaat grenzen aan verliefdheid: ‘“Hoe lief vind je mij?” Ze legt haar wang even op mijn schouder en kijkt dan weer naar de overkant. “Tien lief.” “Ik jou miljoen”, zegt ze. “Ik jou ook op een schaal van tien.”’

Wat Van der Haar vooral verbeeldt is de bijna oeverloze leegte van de kindertijd. Hoofdstuk na hoofdstuk beschrijft ze kleine anekdotes uit de levens van deze meisjes, zonder daar een overkoepelend verhaal uit te smeden. Met veel zorg vat ze de saaiheid en uitgestrektheid van repetitieve schooldagen, en hoe die opeens verlicht worden door een hechte jeugdvriendschap. Mooi is dat Van der Haar dat alles ook consequent weet te benaderen vanuit de gedachtewereld van een kind, inclusief woorden als ‘superlang’, en ‘goor’.

Maar wanneer de vrijheid van de jeugd, waarin ‘goed’ en ‘fout’ zich minder duidelijk aftekenen, samengaat met een riskante invloed loopt het in de literatuur vaak slecht af. Ook Het wolfgetal neemt een dramatische wending, die je als lezer al van mijlenver voelt aankomen. De korte hoofdstukken worden afgewisseld met onheilspellende zinnen uit een forensisch rapport (‘Er was veel water in de maag aanwezig, met hierin waterbestanddelen (kroos)’, of: ‘Het betreft het lijk van een vrouw in staat van vorderende ontbinding’). Een kind zal verdrinken, zoveel is duidelijk, maar Van der Haar wacht meer dan tweehonderd pagina’s met beschrijven wat er heeft plaatsgevonden. De zinnen uit het rapport geven net te opzichtig informatie weg: wanneer het tweetal wordt vergezeld door de wat zielige Margje, en op een uit de hand gelopen dronken avond langs ‘de meren’ fietst, weet je als lezer wel hoe laat het is.

Toch is Het wolfgetal een aangrijpend boek, waarvan de spanning niet door de plot, maar door de taal zelf wordt opgewekt. Van der Haar schreef in haar poëziedebuut Bodemdrang (2014) al tastend en nieuwsgierig over de destructieve kracht van de natuur (‘alles kan zo in de modder gedrukt/ met een hand, een stok/ ondergeduwd/ luchtbellen stoppen’), en in deze roman richt haar morbide blik zich onder meer op stervende dieren, opgedregde lijken en onsmakelijke lichamen, die zij in even heldere als onverbiddelijke zinnen weet vast te leggen.

Laura van der Haar is op haar best wanneer zij schrijft over de doornige, intieme band tussen deze meisjes. De laatste honderd pagina’s van de roman worden besteed aan de verwerking van de gebeurtenissen; fijnzinnig wordt beschreven hoe het drama de vriendschap op de spits drijft. De twee gaan naar andere scholen, groeien langzaam uit elkaar. Wanneer de verteller Vikki jaren later weer treft, blijkt dat hun liefde niet zomaar is verwelkt. De tederheid waarmee Van der Haar deze ontmoeting optekent is ontwapenend, en tilt het voorafgaande nog eens op. ‘Haar geur is nog helemaal haar geur en mijn hart doet er iets mee, het maakt een loopje, roffelt wat extra, ik kan niet bepalen of het van schrik is of van opluchting, haar geur die ik vroeger niet eens meer rook omdat hij er altijd was, precies die geur van vroeger verplettert me haast nog meer dan dat wat ik in mijn armen heb.’

Source: https://www.groene.nl/artikel/riskante-mei...

HET PAROOL

Vergeet het lijk even

24 MAART, DIEUWERTJE MERTENS

'Kijk jij wel eens naar je kutje?' vraagt Vikki haar beste vriendin. Ze wacht het antwoord niet af en gaat druk in de weer met een spiegeltje. Hoe de verhouding is tussen Vikki en de 'ik'-figuur, maakt de verteller al in de eerste zin duidelijk. In haar romandebuut Het wolfgetal doet dichter en archeoloog Laura van der Haar (1982) verslag van een vriendschap die langzaam ontspoort.

Je snapt wel waarom de ietwat kleurloze en onzekere verteller voor de onbevreesde en mysterieuze Vikki valt, die door haar burgerlijke ouders als 'probleemkind' wordt bestempeld; niet vreemd met een alcoholistische moeder die de hele dag laveloos in bed ligt. Vikki is de voortrekker en zij bepaalt. Volgens die wet worden de zaken door Vikki verdeeld: alcohol, peuken en jongens.

Als de meisjes naar verschillende middelbare scholen gaan, komt hun vriendschap onder druk te staan.

Het is niet de bedoeling dat de verteller bevriend raakt met klasgenoot Margje, dat maakt Vikki puberaal theatraal duidelijk. Als Margje niet meer thuiskomt, nadat ze gedrieën zijn uitgegaan, begint de vriendschap barstjes te vertonen.

Tussen de hoofdstukken door voert Van der Haar de lezer zinnetjes die de staat van een ontbindend waterlijk omschrijven. Ze lijken op het eerste gezicht rechtstreeks uit het rapport van een patholoog-anatoom te komen, maar de formuleringen verraden al snel dat dit waarschijnlijk niet het geval is ('wasvrouwenhuidvorming'). Ze hebben niet het gewenste effect: de lezer heeft te snel door wie het lijk en de vermoedelijke dader zijn en onderbrekingen vormen eerder ergerniswekkende struikelblokken dan dat ze iets toevoegen. Het is een nodeloze kunstgreep om spanning in een verhaal over een lamlendige jeugd in een nietszeggend dorp te brengen.

In andere opzichten is de roman wél geslaagd: wie Van der Haars blogs over hond Takkie kent, zal ook haar plezier in het zo precies mogelijk weergeven van ervaringen en gebeurtenissen herkennen, in de roman sterk gekleurd door de naïeve vertelstem. Samen met een bewust gekozen knullig of gedateerd (jarennegentig)vocabulaire, levert dat humoristische passages op. Ze schrijft heel beeldend: een stem die als limo door een rietje omhoogschiet, een moeder die koekoeksklokachtig vanachter een gordijn vandaan komt. Haar eigenzinnige en treffende beeldtaal past goed bij het beschouwende karakter van haar hoofdpersonage.

Bovendien weet ze als geen ander hoe ze het krachtige en kwetsbare equilibrium van een vriendschap tussen twee meisjes moet beschrijven. Dus: vergeet het lijk. Dit is een portret van een vriendschap die zo innig is, dat een verwijdering noodlottig is.