leendert van leeuwen

581.jpg
 
 

 

“Lieve Vader,” begint de 21-jarige Leen de brief die hij in 1942 schreef, een uur voordat hij gefusilleerd wordt. “Het valt mij zeer moeilijk, U dezen brief te schrijven, maar ik moet U mededeelen dat ‘t Kriegsgericht over ons een zeer zwaren straf heeft uitgesproken. Leest U dit eerst alleen, en licht daarna voorzichtig Moeder in.”

In de lange handgeschreven afscheidsbrief vraagt Leen zijn vader om niet boos te zijn dat hij geen afscheid heeft kunnen nemen, om niet verdrietig te zijn omdat hij tenslotte voor het vaderland is gestorven (“treur niet te erg, alles is goed”), om moedig te blijven voor zijn broertjes en zusjes (“Mart, Lien, Frans en El: jullie zijn allemaal gegroet. Wees goed voor Vader en vooral voor Moeder”) en om het nieuws vooral ook heel behoedzaam aan moeder te vertellen. Na zijn dood is de brief meermaals overgeschreven, om zo de Duitse censuur te omzeilen.

“Straks om vijf uur zal het gebeuren en dat is niet erg, het is tenslotte een moment, en daarna zal ik in den Hemel zijn. Nooit meer verdriet of moeite te hebben; niets meer te merken van al de ontzettende narigheden en het vele verdriet dezer aarde, die overgang is toch niet erg?”

Een uur later staat de piepjonge marine-officier voor het Duitse vuurpeloton, vanwege ‘hulp aan de vijand’. De laatste woorden in zijn brief: “Heb geen haat, ik sterf zonder haat.”