uitstappen

Het is voor het eerst een beetje zomer, dus vertrekt Peter naar IJsland. Samen met Takkie breng ik hem naar Schiphol, om daarna in één keer door te crossen naar het strand.
‘Het lijkt wel alsof de handrem er nog op zit.’ We rijden tachtig.
‘Nee joh.’ Zeventig.
‘Nee zit-ie ook niet, maar het voelt wel zo.’ Zestig.
‘Hoezo stop je?’ Vijftig.
‘Ik stop niet, hij rijdt niet meer.’ Veertig.
‘Dit is niet zo’n handige plek om te stoppen.’ Dertig.
‘Ik stop ook niet, hij rijdt niet meer.’ Twintig.
‘Hoe bedoel je.’ Tien.
‘Dat-ie niet meer rijdt, dát bedoel ik.’ Tuftuftufboemstil. ‘Hier.’ Om het te illustreren haal ik mijn handen van het stuur.
‘Probeer dan even op de vluchtstrook te komen.’
‘Lukt niet.’
‘Starten dan.’
‘Ook niet.’
‘Oh.’
Stilte.
Lachen.
Alarmlichten aanknippen.
We staan precies in de bocht van de afrit naar Schiphol en waarschijnlijk heeft het ook daarmee te maken dat we binnen twintig seconden zijn omsingeld door een gepantserde wagen van de Marechaussee, eentje van de Dienst Speciale Interventies én een busje van de politie. 
‘Waar gaat de reis heen?’ vraagt de Marechaussee met zijn vinger op de trekker van zijn Heckler & Koch.
‘Naar IJsland.’
‘IJs-land?’
Ik knik naar Peter. ‘Of nou ja, híj. Ik wilde hem op het vliegveld afzetten en dan lekker naar het strand. Maar dat is dus nét niet gelukt.’
Nog een politieauto erbij. Blauwe zwaailichten. Oranje zwaailichten.
‘Stap allebei maar even uit de auto dooooooooh wat een leuk hondje! Hoe heet-ie?’
‘Takkie.’
‘Hahahaha Takkie! Heeeej Takkie! Takkietakkietakkie! Nee ho ho ho nooit voor de auto, ga maar even daar achter de vangrail staan. Hoe laat gaat jouw vlucht? Stap maar in dan.’
En hup weg is Peter met zijn ruimbagage, in de gepantserde jeep waar je een raket op kunt afschieten scheurt hij naar de vertrekhal en ik hoop dat ze hem een beetje aardig uitzwaaien met hun semi-automatische wapens. 
Takkie en ik blijven achter in de dertig vierkante centimeter schaduw die het bord Vertrek/Departures op de berm werpt. Geflankeerd door de DSI en de politie en de Marechaussee. 
‘We gaan hem toch even een eindje verder duwen,’ zegt een van de agenten, ‘want dit is te gevaarlijk hier.’
‘Geef dat hondje maar aan mij hoor!’ roept de vrouwelijke Marechaussee. ‘Dan duwt mijn collega je wel even omhoog. Hee Takkie! Hoi Takkie! Wat ben jij lief Takkie!’ Takkie huppelt mee met de Marechaussee terwijl ik het klaarspeel om misschien niet de beste maar in ieder geval wel de grappigste selfie ooit te maken - het had ook nog eens de duurste kunnen zijn als de agent die mij in zijn uppie in de volle zon de vluchtheuvel op aan het duwen is zoals je in de achterruit kunt zien mij de verdiende boete had gegeven voor het hanteren van een telefoon achter het stuur.
Tien minuten later arriveert Remco van de ANWB, gevolgd door een sleepwagen waarvan de bestuurder als ik het goed heb verstaan óók Remco heet.
‘Wat een leuk hondje! Hoe heet-ie?’ vraagt Remco nummer één.
‘Takkie.’
‘Hoi Takkie! Ga jij met ons mee?’
Takkie hangt inmiddels zelfgenoegzaam in de armen van de Marechaussee - ‘ja het stikt hier van de distels dus ik heb d’r maar even opgetild!’
‘Oh daar kan ze wel tegen hoor.’
Demonstratief rukt Takkie zodra ze weer op eigen benen staat een distel uit de grond en knauwt die weg zoals meisjes achterop Citta's hun kauwgom.
Remco 1 weet direct wat er aan de hand is met de auto en dat het neerkomt op slepen geblazen.
Remco 2 duwt mijn auto op de sleepvoet, sjort de wielen vast en ruimt de pionnen op.
‘Wat tof dat jullie zo snel konden komen!’
‘Daar zijn wij voor hè,’ zegt Remco 2. ‘En als je zoals jij precies dáár besluit om pech te krijgen, gaat het nog een tandje sneller allemaal. Dit hele gebied wordt gemonitord, reken maar dat ze nu overal je nummerbord hebben. Ja, jij krijgt zo een bakkie water hoor.’
‘Huh?’ Oh, Takkie natuurlijk.
Remco 2 vertelt onderweg dat hij hele dagen rondrijdt in zijn gele sleepwagen, om de mensen weer op weg te helpen.
‘Maar hoe weet je dan waar je moet rijden?’
‘Ieder heeft zijn eigen gebied, en de regio Amsterdam is voor mij.
‘Rondjes op de ring dus?’
‘Nee, dat komt je na drie keer rond wel de neus uit. Dan pak ik een stukkie A5, en dan weer eens de A8 een stukkie noordwaarts - die vind ik het leukst want daar woonde ik vroeger. Even koffie drinken bij Rijkswaterstaat, of bij het servicecentrum hiero. Kijk uit met uitstappen hoor, want je zult niet de eerste zijn die zo zijn enkel breekt.’ 
Het is bijna twee meter steil omlaag en ik kan Takkie die heeft besloten te springen nog net op tijd uit de lucht vangen.
Ik mag alles te drinken pakken zegt Remco, en als de auto klaar is komen ze me halen. En weg is hij, de weg weer op.
Monter pak ik een Kampioen en een automaatwienermelange en besluit om in plaats van op het strand dan maar gewoon op het parkeerterrein van het ANWB-servicecentrum in Badhoevedorp een beetje bij te bruinen.
Uur één vliegt voorbij en het is grappig om te zien hoeveel auto’s er aangesleept worden. Het is een komen en gaan van Berlingo’s en Mercedessen en kiftende echtparen en paniekerig telefonerende meisjes en zuchtende Poolse bestelbuschauffeurs.
Uur twee is al saaier. Takkie is de lavendelstruik naast de entree aan het uitgraven, dus lopen we maar een zoveelste rondje binnen de rasteromheining. Naar het fietsenhok achter het jaren zeventig-gebouw, waar heel veel goeie werpstokken liggen. Over het heuveltje met paardenbloemen waarvan ik er een stuk of dertig in Takkies gezicht blaas want ze snapt nooit dat het eerst nog een soort van bloem is en dan ineens alleen nog maar een steeltje en het is superleuk om te zien hoe onthutst ze daarbij kijkt. Maar…. misschien is de auto inmiddels allang klaar en kunnen ze me niet vinden hier tussen de paardenbloemen, dus racen we naar de servicebalie om te vragen of hij misschien al klaar is.
‘Heeeee wat schattig hoe heet-ie?’
‘JJ-LD-… oh. Takkie.’
‘Hoi Takkie! Nee, sorry, er is net een stekkertje afgebroken, dus het duurt nu iets langer.’
‘Oké.’
Inmiddels is het etenstijd en gelukkig was ik zo helderziend om een zakje hondenbrokken in mijn tas te proppen. Het nadeel van een zakje hondenbrokken in je tas is naast het feit dat je ze zelf niet kunt eten ook dat je hele tas naar hondenbrokjes gaat ruiken als dat zakje per ongeluk openscheurt. Het voordeel is dat het Takkie niets uitmaakt waar die brokjes vandaan komen en of je ze opdist in een aluminium hondenbakje of op een zwartgeblakerde parkeerplek.
Het enige wat ik zelf zou kunnen eten zijn de zachtzoete Droptoppers van Venco, maar die liggen in het portier.
‘Mag ik misschien even iets uit de auto halen?’ vraag ik weer terug bij de servicebalie.
‘Waar gaat het om?’
‘Een zakje Droptoppers.’
‘Okidokie, dan roep ik de monteur even. Hidde? Kun jij even in…’
‘Linkerportier.’
‘Uit het linkerportier de Droptoppers komen brengen?
Monteur Hidde is er zoals het de ANWB betaamt binnen twee seconden met mijn zakje Droptoppers en zegt dat het dus iets langer duurt vanwege dat stekkertje - neemt ook een Droptopper - het is iets met een ijzerdraad of een stang die ergens doorheen moet of overheen of zoiets. 
Duizelig van de complete zak Droptoppers gaan Takkie en ik dan het vierde uur wachten in. Ik ken de Kampioen inmiddels uit mijn hoofd en wil nu wel echt heel erg graag naar huis of op fietsvakantie naar de Loosdrechtse Plassen voor €59 met ledenkorting ook prima. Takkie vindt het gelukkig nog steeds te gek. Ze heeft geplast achter het fietsenhok en een nieuw deel van de lavendelplant naast de ingang uitgegraven én gespeeld met drie sleepwagenchauffeurs en dat was het allerallerallerbeste ooit.
Eindelijk is er dan een monteur die keihard ‘Mevrouw van der Haaaahaaaaaar’ over het parkeerterrein brult. ‘Ja ik begrijp dat u hier lekker ligt te genieten,’ zegt hij terwijl ik de zongedroogde aarde van mijn benen sla, ‘maar uw auto is klaar!’
Nooit zo blij geweest om in een walmend hete auto te kunnen stappen en nét als ik plankgas weg wil rijden zie ik dat het rechterraampje open is. En het rechterraampje is het enige nadeel van deze auto, omdat het niet open kan. Of het kan eigenlijk prima open, maar dan gaat het dus nooit meer dicht shitkutfuck.
Motor weer uit slippers weer aan terugrennen naar de servicebalie halverwege toch omdraaien en terugrennen naar de auto om Takkie eruit te bevrijden want het is zo heet dat ze in tien minuten dood zou zijn slippers toch maar lekker uit en samen met Takkie op blote voeten terugrennen naar de servicebalie. ‘Mijn rechterraam staat open.’
‘Ja?’
‘En dat kan niet, want die is stuk.’
Enfin. Opnieuw één uur, één monteur op het binnenportier kloppend, één monteur met een schroevendraaier in de raamsleuf peurend en één onvermoeibaar stokkengooiende monteur later zit het raam eindelijk dicht en kunnen we weg, om een fortuin, een halve dag en bovendien mijn twee lievelingsslippers armer maar toch maar mooi twee tinten bruiner thuis te komen.