politie bellen

Net heb ik mijn record politiebellen-in-één week verbroken. De eerste was afgelopen zondag diep in het park, vlakbij de oprit naar de Ring, waar nooit iemand komt zonder een hond om uit te laten of een serieus probleem om uit te praten. Er lag iets op het gemolesteerde bankje en van dichterbij leek het wel een mens, maar dan zo groot dat het met geen goed fatsoen een mens kon zijn. Vooral zo ontzettend dik ook. Dat mensachtige lag in elkaar geknakt, en wat bij een mens de buik zou zijn was zo bol dat het zogenaamde hoofd erop kon rusten. Om dat hoofd zat een capuchon en onder die capuchon zat een muts en om de handen zaten skihandschoenen. Nergens een stukje huid, dus de kans op een mens was even groot als op heel erg veel zandzakken in een trainingspak met skihandschoenen gepropt. Hallo? zei ik ertegen, en het zand zei niets terug. Hello hello probeerde ik daarna, maar het sprak ook geen Engels. In de verte liep een collega-hondenbaas, dus ik sprintte even naar hem toe of hij wilde helpen want ik durfde ‘het’ niet in mijn eentje aan te raken. Hondenbaas liep mee, mét hond, wat Takkie natuurlijk vet cool vond want nu kon ze het avontuur met een vriendje delen en de hondenbaas zei ‘hee hallo’ en toen tikten we het samen voorzichtig aan en toen zei het zand wuuhhm.
Toen de politie arriveerde gingen de twee honden ieder aan weerszijden van het bankje keurig op wacht zitten. De agenten deden plastic handschoentjes aan voordat ze het zand aantikten en toen ze na heel lang aantikken contact kregen deed het zijn hoofd omhoog en bleek het een inderdaad ontzettend dikke maar vooral ontzettend jonge jongen en hij knipperde tegen het felle daglicht en zei nu heel liefjes hhmm in plaats van wuuhhm. Het was zo ontzettend zielig dat ik gauw ben doorgelopen en nu krijg ik die knipperende oogjes in dat extreem dikke gezicht maar niet uit mijn hoofd. 

Een dag later stond er in datzelfde park een scootmobiel midden op het pad. Op zich niets nieuws, verlaten scootmobielen, dat fenomeen ben ik na de zoveelste zelfs met het park gaan associeren, maar ditmaal zat er wél iemand in en die deed iets wat op een dutje leek maar dan in een vreselijk ongemakkelijke houding en het was nogal koud voor een dutje en een vreemd gekozen plek bovendien dus ik zei maar weer ‘hallo’ en de scootmobieler zei niets terug en deze durfde ik wel aan te tikken en hij of zij zei nog steeds niets terug en toen vreesde ik dat hij of zij daar gewoon dood was gegaan in plaats van gaan dutten dus belde ik 112 en net toen ik probeerde uit te leggen waar ik dan precies stond - kennen jullie dat standbeeld met die twee keien naast het voetpad? - gooide hij of zij, weet ik nog steeds niet, zijn of haar hoofd omhoog en schudde de schouders los en drukte op een knopje in de armleuning en cruiste er sjjwwwwwwwwieeeeeeeeep weer vandoor.

Toen had ik in principe mijn record politiebellen-in-één-week al ruimschoots verbroken maar daar had deze vroege zaterdagochtend geen boodschap aan. Het was nog pikkedonker en ondanks het sinaasappeltje dat ik voor onderweg had meegenomen rook het in het trappenhuis vooral extreem naar drank en wiet, een geur die bij geen van mijn buren klopt maar die wel bij iedere trede naar benede sterker werd en ik volgde die stank en sloeg met mijn sinaasappeltje en Takkie rechtsaf de gang van de kelderboxen in in plaats van linksaf naar buiten en Takkie stribbelde hevig tegen en uitgerekend voor de deur van mijn fietsenberging lag een grote man in een felblauw zeiljack met in een krans om hem heen blikken Gulpener en alles wat hij had laten lopen.
Hallo zei ik volgens inmiddels beproefd recept en de man zei jajajaja en ik zei wat doe je hier en ter demonstratie sliep hij gewoon weer verder. Toen probeerde ik het nog een keer met hallo en gaat het een beetje en heb je hulp nodig en daarna kom op wegwezen en hij mompelde nog een keer jajaja dus belde ik voor de derde keer in één week de politie waar ik gelukkig nog geen aantekening als klaagbuur had en tien minuten later riep de gearriveerde politie ja hoppetee wakker worden! in plaats van gewoon hallo. De man luisterde een soort van naar dat wakker worden want hij zei iets wat op een heel lang maar toch nog éénlettergrepig woord leek. Hij wist alleen niet precies hoe hij heette en toen ze voor de derde keer zijn legitimatie en verblijfplaats vroegen riep hij dat hij gedetineerd was. Oké, zei de vrouwelijke agent die zich beleefd aan hem voorstelde als Ria. Ze zei niet dat hij er helemaal niet gedetineerd uitzag maar gewoon in zijn eigen troep in een vreemde kelderbox lag, en vroeg of hij nu ook zijn naam ging zeggen nu zij zich aan hem had voorgesteld. Of anders legitimatie bij zich had, en hij knikte richting zijn rugzak. De mannelijke agent deed een dappere poging om daar iets te vinden, vooral dapper omdat hij geen handschoentjes aantrok maar wel in ieder ritsvakje van die grote tas woelde. Het enige wat hij eruit viste was meer Gulpener en nog veel meer drugs.
iebehehéééénrenéeeee riep de man plotseling. Oké René, zei Ria, dan gaan we maar even opstaan. Dat vroeg ze nog drie of vier keer heel erg vriendelijk en de vijfde keer zei ze dat ze het niet nog een keer vriendelijk ging vragen en na de zesde keer sleepten ze René inderdaad niet supervriendelijk naar buiten waarbij me de ongemakkelijke emotie bekroop dat ik hem vanwege al die goorheid beduidend minder zielig vond. Op de stoep krulde René zich direct weer tegen de buitenmuur op en zei jajajaja, ik ben al weg, en zichtbaar tevreden viel hij weer in slaap.