SNOR

“Zal ik je snor ook even harsen?” vraagt de schoonheidsspecialiste geroutineerd.
“HEB IK EEN SNÓR?!?!?!?!” vraag ik, mijn cardiogene shock overschreeuwend.
“Neuh,” zegt de schoonheidsspecialiste weinig overtuigend, “gewoon wat haartjes.”
Ik weet heus wel dat ik ‘gewoon wat haartjes’ heb, volgens mij heeft iedereen wel ‘gewoon wat haartjes’ overal en dus ook op zijn bovenlip (TOCH?!???!). Waarom moeten ‘gewoon wat haartjes’ nou gelijk een snor heten? Als er dikke zwarte borstels zaten, prima. Maar dan had de schoonheiddsspecialiste vast niet gevraagd of ze die moest harsen want in een ouderwetse fietsstuursnor zoals dat heet gaat heel wat toewijding en verzorging zitten weet ik toevallig.

“Trek alles d’r alsjeblieft vanaf!” draag ik de schoonheidsspecialiste op met de schrik van het woord snor nog suizend door mijn zenuwstelsel.
Ze smeert mijn lip in met hete wax die naar zoete honing ruikt maar er is helemaal niets zoets aan de manier waarop ze alles er met een papiertje keihard vanaf ratst en nu heb ik inderdaad geen snor meer. Althans, niet in de betekenis van het woord snor als in haargroei tussen neus en bovenlip; inmiddels zit er wél een knalrode streep precies op de plek waar Pancho Villa zijn signature piece had staan. Eén-nul voor de snorren.