Angel, Timmie, Soldier en Meissie

“Die van mij ligt daar begraven.” De Indische dame knikt richting park. “Bij de eerste boom.” Ze nipt majesteitelijk van haar chocolade-ijsje en vertelt dat ze op een dag de bus naar Centraal pakte, een hersenbloeding kreeg en sindsdien in het verzorgingstehuis zit. “Zo kan het lopen. Hij heette Timmie.” Jarenlang heeft ze het park gemeden om de dode Timmie, ze ging er werkelijk aan onderdoor, een bruintje was het, zo groot (tikt tegen haar knie). De tranen biggelen van onder haar reusachtige Chanel-zonnebril over haar rozegepoederde wangen.

In het park licht ik mijn denkbeeldige hoedje even voor Timmie en raak naast zijn graf aan de praat met de bazen van Angel, Meissie en Soldier. Ik ken zowat alle hondennamen van het park, maar van de baasjes weet ik ze amper. Wel weet ik dat die van Soldier en Meissie in de bak heeft gezeten en dat die van Angel een dikke gouden klok om zijn pols heeft en doorlopend shag rookt op zijn scootmobiel. 

Meissie en Soldier zijn twee imponerende pitbulls die perfect luisteren. Ze gaan liggen voor Takkie en gedragen zich voorbeeldig, maar als er plots een man met een hoody uit de bosjes komt gekropen begint Soldier met ontblote tanden te grommen.
“Goed volk hoor,” roept de man vanuit de bosjes.
“As jij goed volluk was, dan gaat die hond echt niet grommen gozer!” Opzouten, mompelt de baas van Soldier binnensmonds. “Niettan? Soldier gaat neverniet zomaar grommen. Mooie ketting.” Hij wijst naar het verzilverde vogelschedeltje om mijn hals.

Angel is een pluizig bolletje wol met reusachtige oren en bewaakt trots de scootmobiel van haar baas. Het beestje was eigenlijk een cadeautje voor zijn moeder, maar die trok het niet om zo veel te wandelen. Dus heeft hij Angel zelf maar in huis genomen. Tot beider grote plezier: meermaals per dag crossen ze samen door het park, lekker rokend, Angel prinsheerlijk op het plateautje tussen zijn benen.