Jezelf onderpissen

Even een overtreffendetrapbericht hoor, want ik heb nu de allerleukste deal ooit gesloten: voor Bilderberg Hotels mag ik de komende tijd AL hun locaties af, in ruil voor een stukje op hun website! Dat zijn in totaal achttien hotels, wat dus eigenlijk zoveel betekent als anderhalf jaar lang (lees: één komma vijf jáár) elke maand (ie-de-re maand) een luxe minivakantie met sauna en zwembad en ontbijtpoffertjes en boslucht in eigen land. De eerste is Oosterbeek geworden, het groenste dorp van Europa, waar de dikste boom van ons land staat én Laura uit GTST is geboren! Ik zei toch overtreffende trap.

Gauw op zoek naar die dikste boom dus, want dat van dat groenste dorp geloof je direct na aankomst wel. Die dikke boom staat in Park Hartenstein (van het Airborne Museum) en je zou zeggen dat je zo’n vetzak in één oogopslag herkent, maar nee.
De enige hulp in de wijde omtrek is een man die keihard het gras maait op een Toro, zo’n elektrische tuintraktor. Met opgestoken vinger probeer ik zijn aandacht te trekken.
“Wij zijn op zoek naar…” schreeuw ik terwijl hij zijn gehoorbescherming omlaag trekt.
“Pokémon?! Hahaha. Nee hoor sorry geen gebbetjes wát zoeken jullie?”
“De dikste boom!”
“Zie je die dikke lummel daar?” hij wijst op het begin van een bos. “Achter die rododendron, daar staat ‘ie! Geniet er maar van!” En weg zoeft hij.

Supervet inderdaad, net als het idee dat deze boom alles heeft meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog, de gruwelijke Slag om Arnhem, de geboorte van Jette van der Meij, alles. Er zitten zelfs nog kogelgaten in de bast. Net als in het smeedijzeren hekwerk rond het hertenkamp overigens; de hele omgeving is gehavend door het bloedbad dat hier in september 1944 plaatsvond.

“Overleefden de hertjes de Slag om Arnhem eigenlijk?” vragen we de boswachter, die net met geoefende hand maïskorrels over het veld strooit. Dat weet hij eerlijk gezegd niet, maar hij vermoedt dat de soldaten ‘er best wel een paar in de kont hebben geschoten’.
“Zéven dagen per week!” antwoordt hij glunderend op de vraag of hij dit vijf dagen in de week doet, en zoals altijd maakt iemand met plezier in zijn werk mij direct plaatsvervangend gelukkig. We boffen dat we hem tegenkomen, want nu kan hij ons direct alle verschillende soorten geweien laten zien. Uit de kofferbak van zijn gigantische Suzuki tovert hij een gewei in een fluwelen jasje, het zogenaamde bastgewei, dat aanvoelt als een konijntje zo zacht.
Ieder jaar weer verliezen ze hun hele hoorntooi, en na 140 dagen zit de nieuwe er alweer op.
“Zelfs zo’n grote?”
“Zelfs zo’n grote. En onder dit fluweel…” we mogen weer even voelen, “is het helemaal wit.”
Dat ‘konijnenvelletje’ begint na verloop van tijd namelijk te jeuken, waardoor het hert gaat schuren (vegen) tot de bloedende lappen erbij hangen en er uiteindelijk een stralend wit gewei onder vandaan komt. Kan ‘ie lekker mee pronken bij de vrouwtjes.
“Om de hindes te versieren pist hij zichzelf trouwens ook helemaal onder.” De boswachter is daar na 53 jaar trouwe dienst misschien niet meer zo van onder de indruk, maar ik verslik me bijna in de frisse boslucht.
Nieuwsgierigheid dwingt me ondanks mijn lichte schroom deze oudere heer te vragen naar eh…. “HOE PIS JE JEZELF IN GODSNAAM ONDER?” poog ik subtiel.
“Nou,” begint de vrolijke boswachter, “dan zwengelt ‘ie zijn penis de hele tijd in het rond, tot hij compleet is ondergezeken.” Hij gebaart erbij alsof hij een op hol geslagen tuinslang in de hand heeft. “En hij gaat in zijn eigen pis liggen rollen, hoe harder hij stinkt hoe beter natuurlijk. Flemend gaat hij dan achter de vrouwtjes aan; met die bovenlip luid briesend omhoog, zie je het voor je?”
Ik knik en hoop nooit in zo'n versiertruc terecht te komen.

Na die ondergepiste herten lijkt alles van het Oosterbeekse uitstapje opeens in het teken van opmerkelijke dieren te staan. In het naastgelegen bos (stiekem is de hele omgeving van Oosterbeek natuurlijk een naastgelegen bos) loopt een man met een onbeheersbare doos van Top Movers, die bekende kartonnen verhuisdozen weetjewel die na twee verhuizingen al doorzakken bij de bodem. En met ‘onbeheersbaar’ bedoel ik wild schuddend, die doos inderdaad, en uit die doos komt bovendien luidruchtig gekrijs. De man achter de doos glimlacht ietwat besmuikt terwijl hij het ding maar amper in bedwang weet te houden, hij gaat er zelfs een beetje zijwaarts van lopen.
“Gaat ‘ie de pan in?” vraag ik richting doos.
“Nee, ik had er nog eentje over en mijn buurman kon er ook wel één gebruiken. Dus vandaar.”
“Juist ja. Maar eh… wat ís het eigenlijk?”
“Oh! Haha! Een haan! Die jongen kan d’r wat van he?”
En weg is de man met de haan in de doos, die we nog tot ver voorbij de bosrand horen loeien.

Daar stuiten we op een weideveldje waar een moderne herder (een dikbuikige man in een strak rood Phillies-shirt althans in plaats van een groene blouse met wandelstok) zijn schapen door een opening in de wei probeert te krijgen. Het zijn prachtige beesten en ze luisteren voor geen meter. De hond daarentegen luistert perfect.
“Come by!” schreeuwt de herder. “Lie down! Walk on walk on walk on THAT WILL DO!”
Zonder te kwispelen kijkt de Border Collie trouw naar zijn Heer de Herder en doet precies wat hij zegt. “Die is niet goed,” wijst de herder plots op een schaap vooraan.
Op het oog net zo’n perfect schaap als alle andere; een mooie egaalwitte vacht, zwarte oren en pandabeerzwarte oogjes. Maar het blijkt een mislukkeling volgens het stamboek.
“De oortjes zijn veel te wit zie je wel? Niet goed.”

En als om het dierenthema nog te onderstrepen, staan we een uur later plots oog in oog met een schaap dat overduidelijk helemaal niet goed is. Dat schaap hoort bij - om er nog maar even een overtreffende trap tegenaan te gooien - het leukste museum van Nederland: het Openluchtmuseum, waar ze binnengluren tot hoofdattractie hebben gemaakt. Ik grinnik om zo veel wonderbaarlijke dierengebeurtenissen en vraag de dame van het prehistorische woonstalhuis wat er met het beest aan de hand is, het is zo…
“Lelijk?”
“JA!!!” nooit eerder heb ik zo rap en volmondig de lelijkheid van een levend wezen beaamd, maar dit exemplaar is toch wel de vleesgeworden verbeelding van het gezicht van een BDD-patiëntje. Iemand met Body Dysmorphic Disorder dus (ingebeelde lelijkheid), waarbij de patiënt gelooft dat haar gezicht uitgezakt is, met het linkeroog halverwege de kin ofzo. Zoals ons schaap hier.
“Ja dit is Lex. Lex heeft een beroerte gehad.”
“Oh. Hoi Lex!” We mogen de lelijke Lex aaien, wat ze superlekker lijkt te vinden getuige haar afzichtelijke smoelwerk. Als aandenken ruikt mijn hand de hele terugweg naar antroposofische kabouterpopjes.

Oh en nu vergeet ik bijna nog dat er op de heenweg twee sprinkhaantjes uit Amsterdam-West in de auto waren gekropen om stiekem mee te liften. Zo stiekem was dat natuurlijk niet, want hun huidskleur stak nogal af tegen het vaalgrijs van de dakbekleding, maar ik weet zeker dat dit nu de twee gelukkigste sprinkhaantjes van het groenste dorp van Europa zijn. Het groenste dorp van Eu-ro-pa!