Dierenmishandeling

Ik zag vanochtend hoe een meisje haar hond in de buik schopte. “Hou je kankerbek Baco!” schreeuwde ze daarbij. Toen ze met de hardplastic handgreep van de uitrolbare riem naar hem uithaalde, zeeg Baco ineengedoken op het gras neer.

Ik durfde niets van die trap te zeggen vanwege de inschatting dat ik er dan zelf ook één zou krijgen, dus belde ik de politie. Het geen-spoed-wel-politie-nummer 0900-8844, waarbij je eerst tegen een computer moet zeggen vanuit welke regio je belt - iets wat mijn bewustzijn altijd problematisch vindt, in het openbaar praten tegen een niet-mens - maar ik zei dapper ‘Amsterdam’.
Ene Jeff nam op, of Jack misschien wel.
Ik beschreef de situatie en vroeg me direct hardop af of ik misschien niet beter de Dierenbescherming had kunnen bellen.
“Waar speelt dit zich af?”
“Het Rembrandtpark.”
“Staat zij er nog?”
“Ja! Of nee, ze steekt nu net over.”
“Voortaan moet je 112 bellen als je zoiets ziet.”
“MAG DAT?!”
“Ja mevrouw, dierenwelzijn heeft bij ons zeer hoge prioriteit.”

Ik hing op en voor één moment voelde ik mij de gelukzalige inwoner van het warmste en veiligste land op aarde, een droomland waarbij de hoge mate van beschaving viel af te lezen aan haar bewonderenswaardige omgang met dieren.

Maar toen dacht ik aan slachtveetransport. Aan het vermalen van eendagshaantjes. De tienduizenden vrachtwagens vol gebroken poten en bloedende kniegewrichten en geknakte vleugels en zo min mogelijk luchtgaten om de neuzen van beestjes binnen en die van medeweggebruikers erbuiten te houden. De hoge muren om slachterijen. De grijparmen, de stalen pinnen. Het weggemoffelde martelen.

Ik belde opnieuw, sprak nu kordaat ‘Delft’ in de hoorn en stelde me voor als Sonja. Ik weet ook niet waarom, dat kwam als eerste in me op.
“Ik wil graag melding maken van dierenmishandeling, ik had begrepen dat dat bij de politie kon?” vroeg Sonja.
“Jazeker mevrouw,” zei de agent waarvan ik de naam ben vergeten maar ik zou zweren dat hij klonk als Jack.
“Het gaat om een koe, hij is door zijn poten gezakt en zijn neus bloedt. Bovendien staat hij in een piepkleine en donkere ruimte. Het stinkt er naar de dood en het beest is totaal uitgeput van angst.”
“Waar is dit?”
“In een vrachtwagen.”
“En waar staat die vrachtwagen?”
“Op de A1.”
“Nummerbord?”
Ik had mijn leugen (die in feite geen leugen is, maar de huidige situatie die zich gewoon even niet recht voor mijn eigen neus afspeelde) iets beter moeten voorbereiden.
“Sorry, dat heb ik niet opgeschreven.”
“Voor dit soort zaken kunt u voortaan de dierenpolitie bellen.”
“Oh ok en wat doen die dan?”
“Die gaan onderzoeken of er gerechtelijke stappen ondernomen kunnen worden.”

Op de website van de dierenpolitie lees ik: ‘er is sprake van dierenmishandeling wanneer een dader opzettelijk en zonder redelijk doel een dier pijn doet of verwondt.’

Is vlees een redelijk doel?
Is zo ontzettend veel vlees een redelijk doel?
Kipnuggets, zijn kipnuggets een redelijk doel?
Is de wereld een naargeestiger oord zonder kipnuggets?

Vlees eten is voor mij altijd een soort eb en vloed van weten en vergeten geweest. Het eerste grote weten kwam toen ons gezin in 1998 naar Doetinchem verhuisde en ik geconfronteerd werd met de Sturko, de varkensslachterij naast Doetinchem Centraal Station. Het gillen, nee krijsen van die beestjes dat nog over de gemetselde poort tot ver in de woonwijken te horen was, maakte zowel mijn zusje als mijzelf stante pede vegetariër. Mijn zusje tot in de eeuwigheid, ik slechts voor een tijdje.

Grote bewondering heb ik voor dat meisje van elf, dat iets besloot en zich daar voor de rest van haar leven aan hield. En ik ben er jaloers op; ik wou dat ík kon zeggen dat ik zoiets gruwelijks had gezien dat het me op jonge leeftijd al voorgoed iets geleerd had. Maar er kwamen bitterballen langs en ik nam er één. Hamkaas-tosti’s en broodjes döner, godsakke wat kan een mens beginnen tegen een goed broodje döner?

Nou, een filmpje over een slachthuis bijvoorbeeld. Ik werd weer vegetarisch. Nu ik het wist mocht ik het nooit meer vergeten; die natte knipperoogjes, het gekreun, die dunne halsjes met angstig bonkende aderen, de bloeddouches, al deze diertjes die even angstig als Baco de hond op de vloer neergezegen.

En toen kwam er weer een bitterbal voorbij, de zachtknapperige overgang die het besef van dit onbevattelijke en immer perfect gecamoufleerde leed naar mijn onderbewustzijn verdrong.

En toen zag ik weer die pluizige eendagshaantjes, die met tientallen miljoenen per jaar alleen al in ons Nederlandje geboren worden om een uur later op een lopende band hun botjes te knakken en vervolgens in de versnipperaar te kukelen.

Mijn vegetarisme laaide weer op. En af met een bitterballetje. En op met slachthuisfoto’s. Telkens opnieuw.

Maar tegenwoordig wordt het steeds makkelijker, dat bewustzijn. Vlees eten moeilijker. Lekker, maar ik krijg niet meer uit mijn hoofd dat ik eigenlijk gewoonweg zeg: ‘fuck you’. Fuck you koe, met je kapotte hoeven. Ik wil jou gewoon eten, ongeacht al die uren dat je zweterig opeengepakt over snelwegen bonkt, kun je nog zo in een biologisch weiland gehouden zijn, veetransport is niet diervriendelijk of aardig of ook maar een beetje ok. Fuck you met die futuristische grijparm die je ondersteboven door die witbetegelde ruimte zwiept, je dikke kledders bloed op de vloer, je gekrijs en gepiep en geloei en gekreun en het breken van je poten op die verdomde stalen roosters, fuck you. Fuck jullie, pluizige kuikentjes die geboren worden om aan gort te worden gemalen. Doorlopend. Swoooooshhhggrggrgrgpffffl, ook nu.
En ik kan het niet meer.
Ik wil die horror niet op mijn broodje.
Ik wil geen gestandaardiseerde vernietiging met een beetje mosterd.
Ik wil geen moord meer eten.
In plaats van ‘fuck you’ denk ik nu ‘sorry’.
Sorry, dat ik al die keren aan een lekker smaakje in plaats van aan jullie heb gedacht.