Stootkussen

‘Als jullie effe opschuiven kan mijn kontje er ook nog tussen. Ja de rest is misschien groot, maar ik heb een klein kontje hoor!’ Kleinkontje heeft inderdaad een overweldigende rest.
‘Haha waarom doe je dan ook zo'n dikke jurk aan?’ schatert de buurvrouw van Kleinkontje. ‘Zo ben je net een stootkussen!’

‘Als je honger hebt mag je stelen,’ begint de buurman zonder ogenschijnlijke aanleiding aan een bespiegeling. 
‘Niemand heeft honger. Wie heb er nou nog honger in Nederland?’ Kleinkontje in ieder geval niet. ‘Joram je taxi is er!’ roept ze naar een jongen nog veel dikker dan zijzelf. 
‘Taxi?’ vraagt buurvrouw gespeeld onder de indruk. 
‘Ja m'n scooter is stuk.’ Zonder te groeten kruipt de dikke jongen in de taxi.

Ik heb een klein stukje van het referaat gemist, maar nu is de buurman van honger bij multinationals aanbeland.
‘Alle geldstromen leiden naar vijf bedrijven: Nestlé, Monsanto en Delmonte. Dus als je honger hebt mag je stelen.’ 
‘Nou, ik lust wel wat! Hahaaaa!’

Karel en Tinus komen erbij.
‘Weet je wat ik het allerlekkerst vind?’ vraagt Karel aan de groep. ‘Een stukkie rije. Ja. Effe weg. Ja. Radio aan. Echt van de wereld even af. Ja. Ja.’
‘Neehoor, niets,’ protesteert Tinus tegen de radio. ‘Eerst hoor je Bach en dan weer Jan Vayne. En dan nog meer van die hersenloze troep. De middengolf is weg. Madeleine Albright enzo, dat had je vroeger soms wel een uur lang, maar dat kun je nu in Hilversum wel vergeten.’
‘Ja ik heb ook veel met muziek ja,’ kirt het kontje. ‘En ik ken ze ook hoor! De hele grote jongens, vooral die uit de dirigentenwereld.’
‘Ja d’r is dus een Rus die het heel mooi uitlegt,’ neemt Karel haar voorzetje vakkundig over. ‘Veel meer gevoelsmatig. Psychologisch ook. Ja. Veel meer dan Van Zweden. Kom ik net trouwens hoe heet ze, Dorien? Nee Corrie tegen. Corrie in het bos. Ze was er wel heel blij mee…’
‘We slijpen de messen, maar achter de heggen HÍJGEN!!’ kondigt zich een nieuwe terrasganger aan.
‘Kom je je gedichten voordragen?’ jubelt Kleinkontje. 
‘Nee die staan op Facebook. Mag ik een vaasje jongen? Wie is toch dat slonzige individu?’ vraagt hij naar de barman wijzend. ‘Oh jij zit hier te blowen! Ik denk waar word ik nou stoned van?’ Hij klopt de filosoferende buurman op de schouder.
‘Wil je ook?’ 
‘Nee ik ben geen blower. Ik ben een eenvoudige Groningse zuiplap. Niet eens een alcoholist.
Ben je weleens in Burgerbrug geweest? Moet je eens gaan kijken. Die zijn helemaal gek geworden daar door de oorlog. Allemaal getraumatiseerd. Eén heb een raket in zijn voortuin staan. Dont fuk wizzuz.’
‘Ik kom uit Haarlem!’ roept Kleinkontje.
‘Een Mug,’ bromt de Groningse zuiplap.
‘Wat?’
‘Dat jullie Haarlemmers allemaal zuigen.’
‘Ja,’ filosofeert Karel lustig verder, ‘ons hoofd is ervoor in de plaats gekomen. Een hond ruikt veel eerder of iemand deugt of niet. Maar een mens heeft ook dat animale.’
‘Watte?’ 
‘Animaux. Heb je geen Frans gehad op school?’
‘Ik ken wel alleen dat ene woord, hoe heet het? Nouveau riesj
‘Patsers, bedoel je?’
‘Oh en ik ken nog wel wat Frans: papa fume un pipe et maman…? 
‘Helemaal niets?’
‘Nee die fuumt achter de kerk toch?!’ 
‘Ja hahaaaa!’
Hahaaaa alom.

Een paar uur later schuifelt de Groningse zuiplap mee in de stille tocht naar de Dodenherdenking. Hij draagt een net pak en de kiezels van de dorpsbegraafplaats knarsen net iets harder onder zijn voeten dan bij alle anderen.
‘Je kan niet alleen maar in de kroeg zitten he?’ bromt hij tegen niemand in het bijzonder. ‘Wel veel leuker trouwens.’ Dat laatste is duidelijk alleen tegen zichzelf. Voor hem loopt een kromgebogen dame achter een rollator. ‘Effe doorlopen he?’ roept hij naar haar.
Ze kijkt verschrikt op maar glimlacht als ze hem herkent. 
‘Door jou valt ‘r nog een gat in het peloton Fietje! Als we in dit tempo doorgaan hebben we straks alweer een oorlog aan de hand. Dan hebben we heel deze tocht nog voor niets gelopen!’