Jachtgeweer

Overmoedig hard hardlopen, de duinen in. Verdwalen, natuurlijk. Dit uitgestrekte kustlandschap lijkt overal op zichzelf. Ik herken de bosrand aan de oudere heer op het bankje, die mij verbaasd voor een tweede keer groet.
‘Tot straks?’ grapt hij.
‘Wellicht,’ puf ik terug.

Ik probeer me de truc met de zon te herinneren, maar hij staat precies in het midden van alles. Wat betekent dat? Noen? Dat ik onmogelijk nog kan opmaken uit welke richting ik kwam? Om te weten waar je bent moet je weten waar je vandaan komt. Ik weet alleen maar dat ik al heel lang rondjes ren. Of ellipsen of zoiets. 

Misschien moet ik bij zee proberen te komen, daar zijn de windrichtingen tenminste duidelijk. Daar kan ik met een schone lei een richting in slaan, alhoewel ik vanaf de kust zeker weten nog twee uur moet lopen, áls ik de kust al vind. Ik kan ook terugrennen naar de oudere heer en hem vragen waar het westen ook alweer is, ja dat ga ik doen. Maar na de twee toevallige treffers vind ik zowel hem als het bankje nooit meer terug. 

Hoe lang zou je doelloos concentrische vormen kunnen blijven rennen? Afgezien van de oudere heer heb ik de laatste pak ‘m beet twee uur niemand gezien. Ik heb superveel dorst en nóg meer honger. 

Na de kansloze rondjestactiek probeer ik de lijntactiek: met alleen maar rechtdoor lopen moet ik vanzelf op een grote weg uitkomen, of aan zee of in een dorp of bij een ANWB-paddestoel op zijn minst.

Na het best een poosje uitoefenen van de lijntactiek vrees ik dat ik statistisch gezien een behoorlijke kans maak om precies evenwijdig aan de kust te blijven lopen. Ik probeer me de topografische kaart van het Noord-Hollands kustlandschap voor de geest te halen. Lopen de bossen door tot Den Helder? Nee. Lopen ze veel te ver door om eventjes te lopen? Ja. 

Duin gaat weer over in bos. Af en toe een kale inham tussen de naaldbomen, bleek zand onder het donkergrijze oppervlak. Verderop steeds iets meer loofbos. Dan een stuk heide, een rij verweerde bomen langs de rand. Golvend duinlandschap opnieuw en zo ver ik kan kijken niemand. 

Of nee toch! Op het hoogste duin staan twee personen. Zij weten vast waar ze vandaan komen, of anders wel waar ze heen gaan! Als ik dichterbij kom zie ik dat het twee jongens zijn; ze hebben de bouw van lenige achttienjarigen, bijna uitgegroeid maar nog een beetje onwennig met hun uit de kluiten gewassen lange ledematen. Ze staan met hun rug naar me toe, dragen de laatste krakersmode uit Polen en één van de twee richt een jachtgeweer.

Sorry wat?

Ja, één van de twee richt onmiskenbaar een jachtgeweer naar de verte.
Ik ren door, want de enige kans op de goede richting laat ik me niet afnemen door een jachtgeweer. Ik kan ze inmiddels haast horen praten en zij mij blijkbaar ook want ze kijken verschrikt om, doen vlug of het jachtgeweer een wandelstok is en snellen weg. 

Nonchalant stiekem volg ik ze; in de hoop dat ze me naar de bewoonde wereld zullen leiden, maar meer nog om te ontdekken wat ze in godsnaam deden, doen en gaan doen. Tot mijn spijt gaan ze echter van het pad af en verdwijnen al gauw in het steeds dichter wordende bos. Met mijn toenemende honger, mijn meelijwekkende richtingsgevoel en vooral mijn gapende nieuwsgierigheid blijf ik compleet onbevredigd achter. Het beeld op deze foto is het laatste wat ik van ze zag.