Mongolië heeft honger

“Eén gin tonic en een biertje,” bestelt een met goud omhangen jongen naast ons.
De serveerster grijpt naar haar notitieblokje.
“Als je toch die pen gaat pakken, schrijf dan gelijk je telefoonnummer effe voor me op, wil je?” 

We zitten op een terras in de Nieuwmarktbuurt. Naast ons: een kroegbaas (de jongen vol goud), een marktkoopman en een Mongoolse restauranthouder. De marktkoopman en de Mongoolse restauranthouder zijn beste vrienden. Mongolië, noemt de marktkoopman zijn vriend. De marktkoopman heet Sjimmie, ‘maar dan op z’n Spaans.’
Mongolië heeft honger.
“We zouden gaan eten!” roept Mongolië naar Sjimmie-op-z’n-Spaans, die vlug nog een vaasje bestelt.
“Ja, ja, we gaan zo eten.”
“Je hebt het beloofd!”
“Maar ik heb je nooit gezegd wanneer! Ja toch? Neem wat nacho’s!”
“Lust ik niet.”
“Nou ok ok ok ga dan maar wat viskoekjes halen, als je honger heb moet je eten. Maar wel terugkomen he?”
Mongolië komt niet meer terug.

Er schuiven twee meisjes aan.
“Where you from?” vraagt de jonge kroegbaas die meer goud draagt dan er de afgelopen jaren in het Amazonebekken is gedolven.
“Sweden.”
“Ah you like Douwe Bob?”
“Who?”
“Douwe Bob!”
“What?”
“Never mind.”

Dan doet Spaanse Sjimmie de marktkoopman ons het geheim van een gelukkig leven uit de doeken.
Ten eerste: altijd voorbereid zijn op teleurstellingen, maar wel zonder een ‘nono’ te worden. En het echte grote geheim: zorgen voor een lekker huis. Plat Amsterdams: een écht, lek-ker huissie.
“Luister, ik heb een Pipistrello-lamp. Elke keer als ik op m'n bank ga leggen, ben ik blij met die lamp. Mannen zijn liever buitenshuis, dat weet je zelf ook, die willen de hort op. Maar ik ga altijd lékker naar huis. Je moet zorgen dat je zin hebt om naar huis te gaan. Je huis moet lékker zijn. Niemand stimuleert jou om een mooi huis te hebben. Dat moet je zelf doen. Na mijn scheiding had ik een jaar lang geen lamp. En nu ken ik lekker op m’n bank gaan leggen en naar die lamp kijken.”

Er komt een polaroidfotograaf voorbij.
“Ken jij de eerste polaroidfotograaf van de stad nog?” vraagt Sjimmie-op-z’n-Spaans nog voor de fotograaf aan ons kan vragen of we op de foto willen. “Alex, heette die. Ken je die?”
Nee, schudt de fotograaf z’n hoofd. 
“Wat kost zo’n foto?” vraagt een van de Zweedse meisjes aan Sjimmie.
“Mop, ik koop die hele camera voor je, laat die foto nou maar gauw maken.”