Zomeractie Oekraïne

Zo’n elf jaar geleden was ik in Oekraïne. Het land had vanwege het Songfestival in Kiev een wervende zomeractie aangekondigd: visumvrij toegang tussen mei en september! Wij maakten daar dankbaar gebruik van door direct met een werptent in de trein te stappen. 

Een kleine vier weken later reden we een in onbeduidendheid uitblinkend Oekraïens grensdorp binnen, waarvan het herinneren van de naam een belediging zou zijn voor de onvoorstelbare onbeduidendheid ervan. Vier WEKEN later, want het tussenstuk Nederland-Oekraïne was ook mooi. 

In dat grensdorp was niet veel meer te doen dan hangen bij een stoffige Coca Cola-automaat in een hal die versierd was met een communistische wandschildering van vrouwen met stalen punttieten en grote vlaggen. We spendeerden desalniettemin een halve dag naast die cola-automaat, want ik was vergeten dat al mijn briefgeld nog in mijn paspoort zat toen ik deze aan de douane overhandigde en er vervolgens vierenhalf uur voor nodig was om aan te tonen dat die opgevouwen vijftigjes geen smeergeld betroffen (door alle losse voorwerpen uit zowel mijn tas, de tas van mijn reisgezelschap als de tassen van de twee jongens waar we toevallig een treincoupé mee deelden uit te pluizen).  

Vervolgens bleken de douanepoortjes een reusachtig obstakel, want onze nieuwe coupévrienden (het schept toch een band om een halve dag onder een punttietenwandschildering door te brengen met een lauw blikje cola) moesten in hun beste niet-Russisch duidelijk zien te maken dat er écht, werkelijk waar, al iemand voor de balie stond. Namelijk één van hen. Een lilliputter. 

    “NEXT!” riep de douane voor de zoveelste keer, echt boos nu, en wij wezen naar beneden, naar onze vriend de lilliputter die ondanks zijn zeker voor een lilliputter hoge sprongen nog steeds niet boven de glasplaat van de balie uitkwam. Toen hij zich uiteindelijk probeerde op te hijsen langs de zijbeuk van het hokje, schoot een hulpdouane met een groot machinegeweer de lilliputter te hulp door hem een voetje te geven opdat zijn gezicht met de foto op zijn paspoort geverifieerd kon worden. Een gezicht dat overigens geen spoortje miniatuurheid verraadde.

Verder bleef dat grensdorp onbeduidend, daar moesten we zo gauw mogelijk weg. Alleen had Oekraïne het succes van de spetterende zomeractie schromelijk onderschat: door de grote toestroom aan bezoekers waren alle treinen én bussen naar Kiev voor in ieder geval twee weken uitverkocht.
Dus namen we maar een taxi naar Lviv (spreek uit Lvov). Een taxi nemen naar Lviv (spreek uit Lvov) is een schoolvoorbeeld van een B-optie. De nationalistische stad in het westen van Oekraïne leek zijn enige glans te behalen uit het koloniale centrum dat tijdens WOII gespaard was gebleven. Op het grote plein kon je voor een kwartje je eigen gewicht opvragen bij een dame met uitgelopen lippenstift en op de snelweg ernaartoe werden we ingehaald door een paardenkoets.

Oekraïne. Het land heeft geen eerlijke kans gekregen onze verwachtingen waar te maken, want op dag twee verloor ik bijna al ons geld, waardoor we met omgerekend 89 euro weer zo gauw mogelijk thuis moesten zien te komen. 

Zo kwam het dat we ergens in Polen vierentwintig losse treinkaartjes kochten die ons zo dicht mogelijk in de buurt van Nederland zouden brengen; naar het onbeduidende grensdorp waarvan ik de naam nog wel weet, namelijk Emmerich. Met het geld dat we over hadden kochten we nog een pakje sigaretten, een tweeliterfles water en een broodje met wat later bleek schimmel.

Ondanks het feit dat het ingewikkelde reisschema er maar liefst 14,5 uur over zou doen om ons in Emmerich te brengen, hadden we niet veel tijd om na te denken over de honger en dorst die ons kwelden, want ongeveer iedere 25 minuten moesten we overstappen. Tot mijn reisgezelschap - we waren met al onze bagage in weer een volgende trein gestapt, de deuren stonden nog open en verschaften wat koelte - er genoeg van had en even uitstapte om een sigaret te gaan roken.
    “Fuck it, twee hijsen.” Dat waren zijn woorden. Precies op dat moment knalden de deuren dicht en zette de trein zich met een on-Oostblokachtige snelheid in beweging. Ik én al onze bagage tsjoekten naar het westen. Verder richting huis en steeds verder van huis. Zijn bagage leunde tegen mijn benen en in die bagage zat ook zijn telefoon. 

Er zijn niet heel veel manieren om iemand zonder telefoon op een Oostblokstation te bereiken vanuit een rijdende trein. Daarom besloot ik met twee zware backpacks, een ronde werptent, twee losse jassen met daarin twee paspoorten, twee telefoons en geen geld terug te keren naar het perron waarvan ik wist dat hij een sigaret stond te roken, dat was per slot van rekening de enige zekerheid waarvan we beiden moesten weten dat we hem hadden.

Inderdaad stond hij op precies die plek te wachten. Wat een feest. 
Daarna misten we de laatste aansluiting, kregen allebei een soort migraine (misschien wel van dat broodje schimmel), probeerden te liften in Oberhausen, wat mislukte, en besloten om half vier ’s nachts ergens langs de kant van de weg maar een goede plek uit te zoeken om de tent op te zetten, we hadden per slot van rekening onze kampeerspullen bij ons en net toen we hadden uitgesproken dat de Duitse weilanden die zich als zwarte lappen aan weerszijden van ons uitstrekten te verkiezen waren boven het zojuist gepasseerde stedelijk randgebied, stopte er een auto.
    “Waar gaan júllie nou weer heen op dit tijdstip?”
    “Naar Nederland maar dat lukt niet.”
    “Waar in Nederland?”
    “Amsterdam, Nijmegen, Arnhem, Doetinchem, ons om het even.”
    “Kies maar,” riep de man. “Feyenoord heb net gewonnen ik ben zo FUCKING blij!!! Ik breng jullie nog naar de maan als dat moet stap toch in.”
    “Doe maar Doetinchem dan.”