Steek die klootzak in de fik!

Wat houdt men zoal over aan een ochtendwandeling in het bos?
Een frisse blos, een opgeruimd gemoed en de ziekte van Lyme.
In de auto op weg naar huis kruipt er een teek over mijn arm, klaar om zich in mijn huid te nestelen en zijn ziekte in mij uit te kotsen.

Ik draai het raampje omlaag om de parasiet naar buiten te schieten, maar mijn vriend roept nee.
    ‘Wat nee?’
    ‘Steek die klootzak in de fik!’
    ‘Maar we rijden 120!’
Als een ervaren verdelger vist hij, onderwijl een truck inhalend, een tankbonnetje uit het dashboard en daarna een aansteker. ‘Vouw hem hierin! Dichtvouwen!’
We halen nog twee auto’s in.
    ‘Dichtknijpen! In de fik! Nu!’
    ‘Lief,’ stamel ik, ‘het is zo’n beestje!’ Ik pers mijn wijsvinger op mijn duim.
    ‘Burn the motherfucker! Die gasten overleven alles! Het is een plaag he? Ze pakken iedereen! Hertjes, honden, kinderen… Hup fik erin!’

Ik doe wat me wordt opgedragen, een eigenschap die in situaties waarin gevraagd wordt een levend wezen in de fik te steken niet per se betamelijk is. Daarom verplaats ik me eerst nog eens in de teek. Ik stel me de parasiet voor als mens en kan uiteindelijk tot geen enkele andere conclusie komen dan dat die persoon het verdient om aan gort gestampt te worden. Ik knijp het tankbonnetje samen tot een strakke prop. Die persoon verdient het om vervolgens genadeloos in de hens te vliegen.

Want stel je even voor dat er iemand naar je toe komt, een man met een lelijk klein hoofd dat zonder nek aan zijn glimmende blote lijf vastzit en dat die man zonder zich verder te introduceren in je oksel kruipt en daar met zijn mond stukken van je huid begint te scheuren tot er een bloedend gat is ontstaan waar hij zijn kop door naar binnen kan wurmen. Dat hij daar vervolgens een paar dagen blijft bungelen om je bloed weg te slurpen en dat je onderwijl zijn vadsige lijf steeds dikker ziet worden, soms wel een paar honderd keer dikker dan hij oorspronkelijk was en dat zijn armen en benen in het rond spartelen en als je hem dan aantikt zo van hee, sorry maar ik heb dit toch eigenlijk liever niet, het is mijn oksel, dat ‘ie dan in je gaat lopen kotsen. 
IN je lijf. 
Kotsen.
En dan begint het eigenlijk pas want in dat braaksel blijkt ook nog eens een smerige ziekte te zitten! 

Vergenoegd kijk ik naar het hoesje van Roy Orbisons Greatest Hits, waarop één van de schepselen van Moeder Aarde langzaam maar onverbiddelijk ligt weg te blakeren. Vet later.