Rockin' it met Roland Holst

Zelfs de zwervers zitten hier in het hogere segment.
    ‘Hebbie misschien vijf euro voor me?’ De man tikt met zijn wandelstok op de straattegels.
    ‘Je moet effe wat lager inzetten, Ruben!’ roept iemand die aan het terrastafeltje naast ons zit. Hij lijkt op Jack Nicholson, maar dan veel dikker. Hij lijkt echt bizar veel op Jack Nicholson, maar dan met een reusachtig dikke buik en een uitmuntend nachthemelblauw pak.
    ‘Volgende keer weer Ruben!’ roept Jack Nicholson naar de zwerver. ‘Ik heb je al eens geholpen, dat weet je.’
Ruben knikt en bonkt verder met zijn wandelstok.

De rosé is hier prieeeee-ma! tipt Nicholson ons als we naar de kaart kijken. ‘Haalt de eigenaar zelf, uit Frankrijk. Drie vijftig per glas, een tientje voor een fles. Ik wil me niet opdringen, maar ik persoonlijk zou dus een fles nemen. Puur een rekensommetje.’
We nemen allebei gewoon een glas want we moeten nog boodschappen doen en het is vier uur ’s middags.
Maar na dat glas nemen we nog een glas.
En daarna nog één, want Dikke Nicholson is hilarisch.

Hij zit in de inbouwkeukens, en daar heeft hij werkelijk alles meegemaakt. Chantage, stalkers, overvallen, en nu is zijn pand in de hens gestoken. Een vriendje van hem is jurist-diplomaat enzo, die kan wel helpen, maar die staat op wachtgeld. Zo gaat dat hier in het dorp. Het is hier opgedeeld in clubjes. Dat zien jullie niet, zegt hij, maar ik zie dat. Ik ken ze stuk voor stuk. Het clubje van één miljoen, het clubje van vijf miljoen, het clubje van tien, twintig. Ga maar door. Maar je weet hoe dat gaat met die meloenen eh…. miljoenen he? Ineens zijn ze weg en dan moet je naar het andere clubje, en die kan helaas níet alle tafels in het hele restaurant reserveren. Wat doe jij?’
Ik zeg dat ik archeoloog ben. En schrijver. Van alle beroepen op aarde de minst waarschijnlijke om ooit tot een van die clubjes te behoren.
Schrijver van wat?
Dat verschilt, gedichten en…
Poëtische gedichten?
Eh…
Ja dat is leuk zeg, dat doen ze daar verderop ook die vrouwtjes. Die lezen dan gedichies aan elkaar voor dus ik zeg weet je wat jullie moeten doen, jullie moeten d’r even een map neerleggen. Zo’n multomap weet je wel vol stencils. Eurootje per gedicht en als je d’r dan vijfhonderd verkoopt op een dag... Zie! Ik zeg het je. Zo verdiend. Ik heb ze allemaal gekend hoor. Ronald Holst. Neelie Maria Min. Zaten we allemaal daar, in het café. Rockin’ it met Ronald.

Kijk daar heb je Lou Perissie! Hij wijst naar een man met een donkerrode ribbroek aan de overkant van de straat. Ha die Lou! En dan fluisterend: die heb weleens wat drugs verkocht, kijk ik lul daar niet over en dat weet ‘ie ook hoor… Maar hij zegt op een dag tegen me hij zegt luister, mijn huis is in de fik gevlogen.
Ik zeg heb je de verzekering gebeld.
Hij zegt nee. 
Ik zeg hoe lang is het geleden.
Hij zegt vier dagen.
Vier hele dagen. Geloof je dat nou? Rijdt ‘ie daarna ook nog z’n auto in de prak. Net ingeklaard op het vliegveld, had hem uit Amerika over laten komen. Die douane gokken, wat kost zo’n auto nou, veertien, vijftienduizend dollar? Lou lachen. Zeventienduizend? Lou weer in een deuk, weet je wat dat ding kost?

Dan stopt er een oudere heer om Dikke Nicholson even de hand te schudden.
Zag je die grijze? vraagt hij ons als de man buiten gehoorafstand is. Heeft goud gesmokkeld. Eerst gewoon netjes hoor, legaal. Vanuit Luxemburg. België. Gewoon met een paar procent BTW-verschil, helemaal legaal, maar toen ging iemand het mengen. Een of andere idioot ging dat goud mengen, met lood. Dus die broodje kostten vierduizend gulden. En ze hadden pallets vol broodjes, allemaal voor de Nederlandse Bank, pallets tot hier (tikt op borsthoogte). Vol met goud. En dan komt de inspectie om te ijken en d'r komt me toch een zooitje lood boven drijven. Boordevol zat het. Dat kon toen nog. Toch al gauw een miljoentje per pallet.
Die zat ook in de drugs die idioot van dat lood. Is verkoold teruggevonden in de duinen, hier verderop. 
Haaaaa! Ronnieeeee! Jongens dit is Ronnie. Hij is geen bokser hoor met die blauwe plekken, dat je dat niet denkt. Hij is gewoon op de automatische poller voor zijn huis geknald. Op z’n eigen oprijlaan. Ja toch Ronnie?
Ronnie knikt. Eén oog van de oude man zit dicht en zijn neus is blauw. Maar die paal was stuk hoor, zegt Ronnie vlug. Kwam zomaar weer omhoog! Boem.
En de auto?
Ja kaduuk.
Daarom doe ik dus alles met de trein, haalt Nicholson de monoloog weer naar zich toe. Werkelijk een superauto heb ik hoor, daar laat ik me dan in rondrijden, echt een superauto werkelijk waar, alles d'r op en d'r aan. Navigatie, alles. Maar ja, ook als je je laat rondrijden in een superauto eindig je in de file. Ronnie woont hier verderop jongens. In de verste verte geen buren. Beetje blauwe brieven verscheuren, beetje eigengereid optreden... Je weet wel. Toch Ronnie?
De pensioengerechtigde vrouw van Ronnie - met een gladder voorhoofd dan het mijne - giechelt.
En dan vertrekt Dikke Nicholson plots, even abrupt als zijn gespreksonderwerpen.