Mijn fietsenmaker is vermoord

Vandaag heb ik voor het eerst in mijn leven een bos bloemen op straat gelegd.
Mijn fietsenmaker is vermoord. Hij was 49, en de beste fietsenmaker die ik in mijn leven heb gehad. 

Dat zeg ik niet omdat hij dood is. Dat zeg ik omdat ik nu veertien jaar in Amsterdam woon en op zijn minst zeventien fietsen heb bezeten waarmee gemiddeld vier keer per jaar iets dusdanig mis was dat ik ermee naar een fietsenmaker moest. 

In de Maasstraat toen ik daar woonde, en dat waren twee lompe boeren. In de Rijnstraat vervolgens omdat die in de Maasstraat zulke lompe boeren waren, maar die in de Rijnstraat was zelfs voor een student met een maximale lening en een bijbaan te duur. 

Toen ik naast de Piet Heinkade woonde moest ik daar een keer twaalf euro betalen voor het plakken van mijn band. Stiekem voelde die decadentie van het afkopen van geknield met een teiltje water op de stoep zitten fantastisch. Eenmalig. 

In de Ostadestraat zat er zowaar één die neutraal was. Gewoon een fietsenmaker. Niet onaardig, niet superduur, maar toch ook niet één om voor om te fietsen vanuit mijn nieuwe huis in West. Op een kapotte fiets. 

Dus in de Spaarndammerstraat nam ik de fietsenmaker in de Spaarndammerstraat, zoals je dat doet met fietsenmakers. Deze fietsenmaker was eigenlijk altijd te druk om je fiets te maken en als hij dan uiteindelijk een gaatje had vrijgeroosterd om die spaken er weer in te zetten gaf hij je het gevoel dat hij zich voor drie grijpstuivers een liesbreuk had gewerkt voor die teringfiets van je. Met een puike fiets maar een ontredderd gemoed verliet ik altijd de naar smeerolie ruikende zaak.

Toen ik echter verder naar het westen van de stad verhuisde, ontdekte ik fietsenmaker Kobya aan de Jan Tooropstraat. Kobya was zijn achternaam, leerde ik van de krantenartikelen over zijn moord. Zijn voornaam was Temel. Hij was 49 (leek 59) en repareerde mijn fiets altijd binnen een uur of twee en meestal ook nog voor een bedrag onder de tien euro. Behalve die keer dat mijn trapas vervangen moest worden evenals mijn zadel én mijn mandje, nadat mijn fiets in elkaar was getrapt door een jongen die van links tegen mij opbotste. Zo diep in West woon ik ja.

In een land als Nederland en dan vooral in een stad als Amsterdam is je fietsenmaker een partner van levensbelang. Zonder fiets is je leven als… Zonder fiets zijn je dagen als… Afijn ik zwaaide dus als ik langsliep, we informeerden bij elkaar hoe het ervoor stond als ik in zijn winkel was of ook als ik hem buiten de fietsenwinkel tegenkwam maar dat was eigenlijk maar één keer, in de supermarkt om de hoek. 

Als ik mijn ochtendrondje met de hond liep stonden zijn tweedehands fietsen al keurig recht in het gelid op de stoep, hun absurd lage prijzen op oranje papiertjes aan het stuur (zo aantrekkelijk dat ik altijd overwoog een nieuwe fiets te kopen). Als ik ’s avonds hongerig en moe naar huis fietste stonden die fietsen daar nog, nog even trots en netjes (en weer overwoog ik een nieuwe fiets te kopen, gewoon, omdat het kon), en Temel Kobya stond achterin de zaak geduldig over een kettingkast gebogen. 

Achterin die zaak bewaarde hij tweedehands onderdelen waar hij je fiets mee repareerde, maar uitsluitend als je dat goed vond. Dat checkte hij bij voorbaat heel expliciet, zo kostte het meestal minder dan tien euro, en soms zelfs helemaal niks, zoals die ene keer toen ik geen zin had om mijn band zelf te plakken en ik vanaf de Stadionweg met mijn fiets in de hand naar huis was gelopen en hem gelijk bij Kobya had gebracht en hem de volgende dag kwam ophalen en hij zei nee het kost niets want je band was niet lek, hij was gewoon leeggelopen.

Temel Kobya werd met een mes om het leven gebracht. Hij werd achterin zijn zaak gevonden door zijn zoon, en leefde toen nog. Tijdens de reanimatiepogingen van het ambulancepersoneel is hij uiteindelijk bezweken. Zijn zoon lag huilend op straat. Telem Kobya had meerdere steekwonden. Zijn kassa zat nog vol. Het was half één ’s middags. Van de daders nog geen spoor, maar het zijn er waarschijnlijk twee. Een normale en een tengere.

Ik koop na heel lang twijfelen een bosje gele tulpen bij de Albert Heijn. Bij de kassa twijfel ik opnieuw, of ik niet even naar een echte bloemenwinkel moet fietsen, maar wat is het verschil, het gaat om het gebaar en de tulpen zijn mooi, ze hebben die vettige glans die tulpen horen te hebben. 

Op de stoep voor zijn winkel staan voor het eerst geen fietsen. Er liggen bloemen. Heel veel bloemen gelukkig, dat maakt het misschien 0,001% minder verdrietig dan wanneer er heel weinig bloemen hadden gelegen. Je kunt veel van bloemen zeggen, maar ze maken net dat tienduizendste stukje verschil op groot verdriet. 

Alle bloemen zitten nog in het plastic. Is dat hoe het hoort? Ik baal dat ik ze bij de Albert Heijn heb gekocht want op de mijne staat een oranje bonusprijs. Zal de bloemverkoop van de buurt-Albert Heijn zijn gestegen door deze moord? Zouden ze alvast iets meer bloemen hebben ingeslagen? Hoe ging dat op de bloemenveiling na Johan Cruijf? Wat schrijf ik op het kaartje? Aan wie richt je zo'n kaartje uberhaupt, aan de dode? Aan zijn nabestaanden? Aan de buurt?

Er hangen heel veel briefjes, onder meer van de kinderen van de basisschool tegenover zijn winkel. ‘Liefe fietsemakker ik vint het heel erg dat u weg moest.’ 
‘Lieve Abi,’ staat ook op één van de briefjes en ik vraag me af of de opsteller zich vergist heeft, Abi is per slot van rekening de eigenaar van Abi Patat om de hoek, de snackbar die vorig jaar in de fik werd gestoken.

‘Dag lieve fietsenmaker,’ schrijf ik op het kaartje en ik weet niet precies waarom maar ik schaam me als ik de bloemen neerleg.