Pak je tas en kom met me mee

Ik ben vreselijk Nederlands op tijd op het vliegveld. Mijn ontzag voor het definitieve van een vertrekkend vliegtuig is even groot als mijn wantrouwen in het spoorwegverkeer. Bovendien is het relaxed om te wachten achter de douane; er is geen rustiger staat van zijn dan in een ruimte waar je niet weg kunt en waar ze belastingvrije chocolade verkopen. Nergens heen kunnen, behalve naar de Sushitempel, de ICI Paris of de Illy-corner vormt de perfecte omstandigheid voor reflectie. Helemaal in een plastic kuipstoeltje achter de douane, waar het ruikt naar aangebrande tosti’s, belastingvrije Chanel en de afwezigheid van buitenlucht.

Ik probeer in te checken op één van de automaten om er zo gauw mogelijk neer te strijken, maar ‘de passagier is onvindbaar’.
    “Ik ben onvindbaar,” zeg ik tegen een Alitalia-meisje dat even aan haar gouden manchetknopen draait alvorens mee te kijken op mijn scherm. Ze loodst me naar een balie verderop. Ik ben onvindbaar, zeg ik nog eens zachtjes tegen mezelf omdat het zo mooi klinkt.

Mijn rug is nat van het zweet en pas wanneer ik de zoveelste echtgenoot met een volgeladen trolley achter zijn familie aan zie vloeien, realiseer ik me dat ook ik hier heel relaxed mijn rugzak op een trolley had kunnen leggen. Ik schuif hem nu maar over de vloer voor me uit, de wijsheid indachtig dat alles wat veel aangeraakt wordt juist minder vies is. 
Er passeert een mevrouw met een langharige teckel. De vloeren zijn zo glad dat het beestje niet hoeft te lopen. Hij kijkt om zich heen en lijkt het wel prima te vinden allemaal. 

    “Ecce Laura!” roept de baliemedewerker wanneer hij mijn paspoort openslaat. Enrico, staat er op zijn gouden naamplaatje en hij zou een knappe man zijn geweest als hij niet zo kalend en klein was. Eén van beide is nog wel te doen. Een beetje klein, een beetje kaal: prima. Alleen er is een grens en die is definitief bij kleine, kale mannetjes. 

    “Waar ga je heen?” vraagt hij. 
Naar huis dude. Ik wijs de bestemming op mijn boarding pass aan.
    “Pak je tas en kom met me mee,” zegt hij.
Wat?
Pak je tas en kom met me mee. Hij zegt het echt. Pak je tas. 
Maar ik moet inchecken.
En dan doet hij iets waarvan ik niet wist dat incheckbaliepersoneel daartoe in staat was: achter de balie vandaan komen. 

Nu hij naast me staat valt pas op hoe klein hij werkelijk is, hij komt ongeveer tot mijn ellebogen. Toch is hij niet geïntimideerd door ons hoogteverschil; hij gebiedt mij hem te volgen. Lau-we-ra.
Even ben ik bang dat hij me stiekem mee naar huis gaat nemen (HOE DAN? vraag ik me tegelijkertijd zo vrolijk af dat ik bijna hoop dat hij het echt gaat proberen), maar hij neemt me mee naar de oversized bagage. 

Hier hoort jouw rugzak zegt hij. 
Hier horen alle rugzakken in jouw wereld, zeg ik, maar voor mensen van normale lengte is dit een doodnormale rugzak: een oranje-grijze Deuter 35 liter.  
Ja maar de bandjes geven problemen. 
Hoe bedoel je de bandjes geven problemen? 
De riempjes aan je rugzak, als je die op de band legt loopt alles vast. 
Waar heb je het over! Dit is een vliegveld, iedereen komt hier toch met een rugzak? Een rugzak zit met bandjes om je rug, zo gaat dat al sinds de uitvinding van de rugzak en ik zou je precies kunnen vertellen hoe lang dat geleden is als ik hier maar WIFI had! [5300 jaar geleden. Of ruim 200 jaar geleden, het is maar net wat je als rugzak ziet. In de jaren tachtig raakte hij voor het eerst in de mode.]

Er zit niemand bij de oversized luggage, alle apparatuur staat uit en op de achtergrond zit een jongen te sms’en. 
Moet je hem niet even roepen dan, Enrico? 
Nee, dat is hem niet. 
Oh.

Voor ons staan twee Britten met vier reusachtige aluminium koffers. Precies de doelgroep voor de oversized luggage. Ook zij wiebelen ongedurig heen en weer want het duurt nu wel heel erg lang en als het ergens vervelend is om te laat te komen dan is het wel in je vliegtuig. 

Eindelijk verschijnt er een dikke jongen in vliegveldconfectie. Hij veegt zijn mond af aan een servetje en zet de band aan. De mannen wordt gevraagd hun aluminium koffers te openen. 
Ik hoop dat het werklui zijn die ergens een electriciteitsnet gaan aanleggen of zoiets, want de koffers hangen vol met kabels, tangen, schroevendraaiers, hamers, pompjes, bouten, verbindingsstukjes, priemen en nog veel meer voor mij onbekende attributen die behoorlijk uit de toon vallen als vliegtuigbagage. Onder al het gereedschap zit een dubbele bodem. Die moet eruit van de dikke jongen, en daar komen drie gekreukelde witte blousen onder tevoorschijn. 
Drie gekreukelde witte blousen hebben er nog nooit zo misplaatst uitgezien. 

Enrico staat nog steeds trouw als een klein hondje naast me en als we eindelijk aan de beurt zijn overhandigt de dikke jongen ons een plastic bak. 
Een plastic bak waar mijn rugzak in kan, zodat Enrico hem zelf kan inchecken. Hij geeft Enrico gelijk maar een hele stapel bakken mee, voor het geval er nog eens zo’n idioot op reis gaat met een rugzak. 

De laatste hindernis om mijn kuipstoeltje achter de douane te bereiken, is de douane. Ik leg mijn laptop en mijn telefoon en mijn ereader in een bak en mijn jas in een andere bak, zoals het hoort. 
   “Doe je sjaal af.”
Ik doe mijn sjaal af. 
De lopendebandjongen buigt over de band heen om naar mijn voeten te kijken en glimlacht gemeen naar me. 
    “Schoenen uit.” Ik weet niet of het aan Italianen of aan vliegvelden ligt, maar die twee lijken elkaar te versterken in hun liefde voor de gebiedende wijs. 
Op blauwplastic sokjes schuifel ik het poortje door, mijn bezittingen achterna.    

    “Jij bent uitgekozen voor controle,” zegt een boos kijkende vrouw die veel te oud lijkt voor de luchtverkeerssector. “Hier blijven staan.” 
De rest van de passagiers stroomt langs me heen en ik wil mijn wegrollende laptopje achterna, maar de dame zegt no. Hier blijven staan. Ze wijst naar twee gele voetafdrukken in maat 167. 
Ja, gebaart ze nadat ik er een hele poos probeerde uit te rekenen hoe vaak mijn voeten in die gele contour zouden passen. Meekomen.
En mijn schoenen? 
Oh! roept ze verbaasd. Waar zijn je schoenen? 
Op de band. 
Ze gaat zoeken en vindt geen schoenen. Pas na nog een keer heel lang zoeken vindt ze mijn schoenen toch, in de scanner bij de gemene jongen. Zwarte kistjes. Die zijn hier wat gympies vroeger in de disco waren. Of nee eigenlijk helemaal niet. Zwarte kistjes zijn hier een beetje wat vuistdikke baarden hier ook zijn.

Van de oude vrouw moet ik mijn trui uitdoen. Alle ritsen van mijn handbagage openen. Dat zijn er heel veel want ik kocht de tas bij Bever Sport. Grote spullen eruit halen. Ze scant al mijn elektrische apparaten. Dat doet ze door er langzaam met een stripje overheen te wrijven. Daarna scant ze het etui waar mijn stiften in zitten. Daarna mijn handen. Vinger voor vinger, binnenkant, buitenkant.
Hoe werkt dat? vraag ik en ze wijst pinnig naar het scherm, waar zo’n twintig grijze Microsoft-vensters te zien zijn. 
Aha, mompel ik. Mag je trouwens wel weer water meenemen?
Nee! roept ze, heb je water? 
Ik overhandig haar de fles uit het hoofdvak van mijn tas. 
Die moet weg. 
Mag ik eerst nog een slok? 
Nee dat mag alleen buiten. 
Oh mag ik dan nog even naar buiten? 
Nee. 
Maar hij is nog vol ik heb hem net gekocht kijk de rand is nog verzegeld. 
Bonk

Het geluid van volle plastic waterflesjes in roestvrijstalen prullenbakken klonk nergens zo vaak als op vliegvelden.