Magnumflessen champagne, gedroogde pruimen in een boterhamzakje en een keffend hondje

Ewa heet ze en haar geheim om er zo fris en jeugdig uit te zien is volgens eigen zeggen goed DNA en 100% karité-butter. Haar krullen bonken op en neer als ze praat.
    ‘Ik ben niet racistisch hoor,’ zegt ze, ‘maar…’  
Als iemand met die woorden een zin begint dan heb je twee opties. Heel gauw over iets anders beginnen, of met ruzie uit elkaar gaan. 
    ‘Karité-butter?’ vraag ik.

Jean-Battiste, Tita voor vrienden, is verliefd op Ewa. Hij is ingenieur in Qatar, waar het net zo warm is als zijn leeftijd. Drie dingen die hij haat? 1. Bad wine. 2. Early mornings. 3. Cold women. Een gitaar op de achtergrond en je hebt een Tom Waits-liedje. Ewa is niet op hem.
Ik vraag Yari, een kleinere versie van Robert de Niro, welke drie dingen hij eigenlijk haat.
1. Huilende kinderen. That’s it

Dan komt er een magnumfles champagne naar buiten. Die hoort bij Hamas, een Pakistaan die satellieten bouwt voor de NASA en vandaag 65 is geworden. Althans dat zegt hij, hij ziet eruit als een 45-jarige die er jong uitziet voor zijn leeftijd. 
Hij laat zijn paspoort zien en het staat er echt: 23 maart 1951.
Alhoewel iemand die voor de NASA satellieten bouwt vast makkelijk een paspoort kan vervalsen. 
Maar waarom zou je als Pakistaan van 45 je paspoort veranderen in diezelfde Pakistaan, maar dan twintig jaar ouder? 
Het houdt me bezig.

Om acht uur verschijnt De Filosoof. Hij heeft een grijze baard en niemand weet hoe rijk De Filosoof precies is, maar het verhaal gaat dat hij miljoenen heeft. Al heeft hij nog nooit iemand ook maar een kop koffie aangeboden. Hij verdient zijn geld met niets doen, vandaar zijn naam, maar ook wat dat niets doen precíes inhoudt is onbekend.

Er komt nog iemand bij zitten, een filmmaker, waar De Filosoof een gore hekel aan heeft. Die roept dan ook dat hij in de bar verderop piano gaat zitten spelen. 
Bel maar weer als die clown weg is! 
De filmmaker doet alsof hij niets hoort en liefkoost zijn hondje Sancho, een gevlekte Jack Russel die vastzit aan een scheepstouw dat veel te zwaar lijkt voor zijn dunne nekje. 
Sanchitorítítí, roept de filmmaker steeds met een hoge stem als het beestje hem schuin aankijkt. 
Geef me even een slok, gebaart hij naar Yari en in twee teugen leegt hij het glas ter waarde van twaalf euro. 

Gezamenlijk beeldt iedereen een levensgroot cliché uit: druk gesticulerende Italianen, een ruzie, Vespa’s all around en naast het wasgoed langs de vensterbank scharrelt zo’n eeuwige paloma blanca of hoe noem je die in het Italiaans. 

Dan gebeurt er binnen iets waar iedereen bij moet zijn en het heeft iets met Hamas te maken. De filmmaker vraagt of ik even op Sancho wil letten en propt het scheepstouw met daaraan het hondje in mijn handen. Francisco, die zo genoemd wordt omdat hij op een jongere versie van de paus lijkt maar dan in driedelig pak in plaats van een rode cape, drukt me zijn sigaar in handen, een minuutje gebaart hij, ik ben zo terug. 

En daar zit ik dan, met een dikke sigaar en Sanchitorítítí, die zich bij iedere passerende hond met zijn volle gewicht in de lijn werpt, wat me de eerste keer toch zeker zes euro aan wijn kost die over de rand van mijn glas klotst. 

Door dat gekef van Sanchitorítítí kijken alle voorbijgangers op en ik geneer me kapot voor wat ze daar zien. Een meisje met een zonnebril op haar hoofd, tussen de magnumflessen champagne, alleen aan een tafeltje, met een keffend hondje en een dikke vette sigaar. Ik haat haar nu al.

Na twaalf minuten is iedereen weer buiten en ben ik zo dankbaar voor die verlossing dat ik met beide vrije handen alle wijn aangrijp.
De volgende dag heeft slechts één doel. 
Karité-butter vinden.