Hoe ik in een Waffen SS-buurt op zoek ging naar een graffititunneltje

Hoe mensen die in een drukke bus zitten kijken. Alsof ze er niet zijn, althans hun geest niet; dat lichaam zit gebocheld tegen het raam gesmeerd. Ze kijken alsof niets in de wereld hen ooit nog zou kunnen verrassen. 

Ik heb uitzicht op arriverende en vertrekkende bussen en volgens alle reisinformatiediensten is per bus naar de Via Appia Antica de enige optie. Maar ik wil niet zo’n gebocheld lichaam voor het raam worden. Ik wil per se niet met mijn kater in een bus zo’n gebocheld lichaam worden. Daarom besluit ik te kiezen voor de afgeraden route en eerst nog veertig minuten te lopen na de laatste metrohalte. Lopen is fijn bovendien. Lopen met een gloeiende kater is fijn. De oude Romeinse weg naar Florence lopen met een kater moet fijn zijn. Een stukje althans. 

Het is zondag en de metro is voller dan hij mogelijkerwijs ooit geweest kan zijn. Ruim twee miljoen mensen in deze stad en slechts twee metrolijnen. MEA voor het ene miljoen en MEB voor het andere en volgens mij zit mijn voltallige helft vandaag inderdaad in de treinstellen van MEB. 

De meeste reizigers hebben een bloemstukje en een olijftak in hun hand. 
Ze hebben hun beste kleren aan. 
De tienermeisjes hebben perfecte lijntjes boven hun ogen getekend en mooi roze rouge op hun zachte wangen. Peuterhoofdjes in buggy’s knikkebollen als appels op satéprikkers en als hun nekjes te ver opzij knakken worden ze door hun moeders in een betere positie gepropt. De gevoerde capuchon nog wat verder over het hoofdje, terwijl ik mijn blouse én mijn jas heb uitgetrokken en het zweet nog steeds op mijn rug staat.

De vrouw naast mij stinkt zo hard uit haar mond dat ik iedere keer wanneer ze lacht of iets tegen haar dochter zegt zo lang mogelijk probeer om niet te ademen. Als ik dan toch echt moet ademen (er zou een soort noodfunctie op het lichaam moeten zitten dat de adembehoefte tijdelijk uitschakelt in gevallen als dit) maak ik steeds opnieuw de keuze: door mijn neus of door mijn mond. 

Ik ben geneigd om steeds heel zachtjes door mijn mond te ademen, zo zachtjes als een grote vinvis door de oceaan drijft en met zijn mond open domweg voedsel naar binnen laat waaien, zo zachtjes dat het eigenlijk lijkt alsof ik helemaal niet adem. 

Toch breng ik het uiteindelijk niet op om door mijn mond te ademen, omdat ik weet dat mijn mond geen neushaartjes heeft waar die lijkenmoleculen in blijven hangen en stel je voor dat ik die lucht proef! Dat ik haar verdronken asem rechtstreeks in mijn eigen longen toelaat, stel je voor dat ik zelf straks ook zo’n lucht ga uitademen. Ik kies voor de zuiveringsfunctie van mijn neusharen, waardoor ik gedwongen ben te ruiken wat zich weliswaar niet door mijn mond maar desalniettemin toch toegang verschaft tot mijn lichaam.

Zo vol als de metro is, zo leeg zijn de straten op zondag. Alsof dat hele miljoen aan mensen van zojuist in het gat tussen de metro en perron is gestapt. Hier waarschuwen ze niet voor the gap
Ik moet allereerst een kop koffie hebben; hoe perfect het vooruitzicht ook is om mijn kater ergens op de Via Appia Antica af te schudden, ik weet nu al dat dat voornemen bij voorbaat zal mislukken zonder heel gauw een kop koffie. 

De wijk waar ik ben uitgestapt is echter niet per se een wijk voor een relaxed kopje koffie. Er zijn hakenkruizen op alle neergelaten rolluiken geschilderd, er staat ‘Waffen-SS' op de zijkant van een flat met daarnaast nog een paar Italiaanse kreten die ik niet kan lezen maar waarvan de lading mij wel duidelijk wordt. 

Rechtdoor zegt de kaart, gewoon rechtdoor, weggetje oversteken, parkje door en dan ben je er bij wijze van spreken al. Maar dat weggetje blijkt een snelweg die ik niet over kan steken te voet, daar moet ik omheen tot de eerstvolgende tunnel. 

Aldus loop ik in een Waffen-SS-buurt te zoeken naar snelwegtunneltje, zoiets had ik vanochtend toch niet kunnen bevroeden. Tijdens die zoektocht vind ik zowaar nog een koffietent en mijn cafeïnebehoefte wint het van mijn reserves aangaande het etablissement. Ik bestel een cappuccino en een chocoladecroissant, krijg het aangereikt op een klein bruin dienblaadje en zowaar zien de beide consumpties er goed uit, erg goed zelfs oeh oeh oeh ik kan niet wachten maar als ik zeg dat ik even buiten op het terras ga zitten - het is per slot van rekening zeventien graden en zonnig, ik ben niet voor niets een week weggegaan uit het grauwe Hollandse om van die winterdip af te komen - draagt de meneer met de snor die de cappuccino ook gemaakt had me op om dan ook buiten te bestellen. 

Na enig heen en weer getrek moet ik mijn dienblaadje dan toch echt afstaan en ik ga pissig op het aluminium stoeltje op het terras zitten. Daar komt direct een vriendelijke jongen naar me toe en ik zeg dat ik graag die cappuccino en dat chocoladecroissantje wil die zojuist van me zijn afgepakt en ik wijs achterom naar de man met de snor, die een cappuccino in de gootsteen staat leeg te gieten. 

Na een hele poos krijg ik precies hetzelfde dienblad weer aangereikt, met daarop een cappuccino en een chocoladecroissantje en het is de lekkerste cappuccino die ik ooit tot mij nam en ook het chocoladecroissantje is ok.

Na dat tunneltje hoef ik volgens de kaart alleen nog maar een soort parkachtig gebied door en dan ben ik al op de Via Appia. Goedgeluimd en opgeknapt van de cafeïne en suikers ga ik weer op pad, mijn rugzak hoog op mijn rug. Aan het einde van de ultrafascistische flatwijk is inderdaad een tunneltje dat geheel in lijn met zowel alle clichés als verwachtingen volgespoten is in de kleuren rood, wit, groen en zwart en iconografie die het vertalen van de bijbehorende typografie overbodig maken. 

Een minuut of twintig lopen nog, schat ik. Slokje water, zonnebril op; ik kuier het park in en mijn dag kan niet meer stuk. Er barbecuen wat families die me niet per se verwelkomend aankijken, maargoed. Op de kaart probeer ik de juiste richting in te schatten en dit moet wel mijn geluksdag zijn na die forza cappuccino, want precies in de juiste richting is een klein pad. Het kringelt het dal in en wordt omsloten door struikgewas aan weerszijden. Het is van dat HERAS-hekwerk-struikgewas, dat niet direct bij het woord natuur past maar desalniettemin groen is. 

Dat groen gaat al best snel over in het bruinere groen van dode cactussen. Er verschijnen nu ook daadwerkelijk HERAS-hekwerken voor de struiken, alleen heten de hekwerken hier Pasini. Klinkt beter, oogt hetzelfde. Het hekwerk wordt al gauw getekend door alle kleuren roest en nu merk ik pas dat de honden die blijkbaar al de hele tijd aan het blaffen waren nu ineens wel erg hard aanslaan. Achter de hekwerken zijn wat golfplaten hutjes, maar dan zonder de onschuld van wanneer ze gebouwd zouden zijn door kinderhandjes, wat ze overduidelijk niet zijn. 

Naast die golfplaten bouwwerken zijn moestuinen, maar dan niet van het romantische soort waarbij bloemenranken omhoog geleid worden en kleine tomaatjes hun glimmende bassies tonen, maar rulle aarde met wat knollen en heel veel blauwe en gele jerrycans met vuilgeworden handgrepen. Er groeien een soort proppen, iets kleiner dan een gemiddelde krop sla en met de kleur en structuur van boerenkolen. 

Als ik uiteindelijk helemaal beneden in het dal ben, is daar een hek aan het einde van het pad. Het hek is dichtgetimmerd. Om de dichtgetimmerde planken zit bovendien een hangslot in een hele mooie kleur roest. Echt, niet te ontkennen dicht. 
Op basis van de kaart schat ik dat het nog een minuut of zeven rechtdoor zou zijn, maar rechtdoor behoort no way tot de opties. Terug dus. 

Struiken, blaffende honden, boerenkoolsla, de zon steeds warmer, ik zweet de rug van mijn leren jasje nat, barbecuende families die mij ditmaal naast niet-verwelkomend ook nog eens geïrriteerd aanstaren, een laatste trap op en ik sta weer naast mijn Waffen-SS-muur waar ik een uurtje geleden zo goedgeluimd begon. Het is inmiddels drie uur op mijn katerige Appia Antica-dag. 

Maar ik heb doorgezet. Om vier uur huurde ik een fiets, die ik om zes uur weer moest inleveren. De beste tactiek leek mij daarbij om tot vijf uur zo ver mogelijk door te fietsen en dan om te draaien, maar ik had met mijn katerhoofd niet bedacht dat het niet om de tijd gaat, maar om de afgelegde afstand natuurlijk en daarom moest ik op de terugweg nog harder scheuren om de verspilde tijd van de gemaakte kiekjes in te halen om niet voor een dichte fietsenhandeldeur te staan waar mijn paspoort lag. 

Kortom: ik had geen tijd om te plassen, geen tijd om een glas prik te drinken, geen tijd om een van de honderdduizenden fantastisch mooie bezienswaardigheden te fotograferen laat staan te bezichtigen. Ik moest één keer stoppen voor een kudde overstekende geiten en van die gelegenheid maakte ik gebruik om er een typische toeristenfoto van te maken. Het is een redelijk mooie geworden, met een brok basaltsteen in het midden, zo’n twintig geitjes die daar voorlangs lopen en de horizon best wel scheef op de achtergrond.