Tivoli is een lul

Horror vacui is de vrees voor het lege en de Romeinen hebben daar nog steeds last van sinds ze tweeduizend jaar geleden hun vaatwerk tot de rand toe vol schilderden. Niet alleen aardewerksgewijs, vooral ook in het echte leven.

Ik tel de seconden waarin de intercom van de trein stil blijft en kom steeds niet verder dan 18. Laten we zeggen 20, ik weet niet precies hoe nauwkeurig mijn seconden zijn, maar ik weet wel dat de rit van Tiburtana naar Tivoli 32 minuten gaat duren en dat bagage in de daartoe aangewezen rekken moet en dat zwartrijden in strijd is met de nationale wetgeving en dat ik in de tweede klasse van rijstel 3237 zit dat al meer dan een uur klaarstaat voor vertrek.

Af en toe springt de airconditioning aan met het geluid dat je oren maken tijdens de landing in het vliegtuig. Buiten scharnieren hagedisjes langzaam over de onlosmakelijk met treinrails verbonden steenbrokken. Graniet? Het ontroert me een beetje, hoe universeel die donkergrijze brokstukken zijn.

De treindeuren bonken dicht en ik zit inmiddels zó lang in dit rijtuig dat mijn hersenen al geen aandacht meer besteden aan standaard vertrekgeluiden zoals dichtslaande deuren. Een van de hagedisjes verschiet van plek en er komen met veel omhaal twee schoonmakers de coupé in. Ze klepperen luid met de prullenbakken zonder daar ogenschijnlijk verder nog iets mee te doen, behalve klepperen. Wat je noemt een droombaan.

Het hagedisje is op een nieuwe steen gekropen en met één pootje in de lucht kijkt het rond. Bij hondjes is dat de nadenkstand, leerde ik op puppycursus; dan nemen ze de plek even in zich op. Opnieuw knallen de deuren dicht en worden alle geluiden die bij een vertrekkende trein horen in werking gesteld en ineens rijden we ook daadwerkelijk! 
Oh nee toch niet. 

We zijn vijf meter verplaatst, het hagedisje valt nu precies buiten mijn raamlijst. Zal het zijn gehele bescheiden leventje onder deze railsstenen doorbrengen en gewend zijn geraakt aan de bijbehorende viezigheid en herrie? Een knietje voor de evolutie zou dat zijn: zo’n perfect uitgerust reptiel uit het Trias dat zijn bestemming vindt onder vlokkend toiletpapier, verroeste brandblussers en ongeoliede wielassen. 

Anyway, Tivoli. Tivoli is het Utrecht van Rome, maar dan kleiner en met meer bergen. Het heeft ongeveer 60.000 inwoners en drie UNESCO-monumenten, waaronder de Villa Gregoriana en de Villa d’Este. 

Een enorm vertraagde heenreis is de perfecte voorbereiding voor een dagje uit, want na drieënhalf uur kan ik niet wachten om wat mooi erfgoed te zien, eigenlijk om überhaupt iets te zien zonder dof plexiglas ertussen. 

Het is rustig op straat. Er is geen mensenstroom die een overduidelijke richting inslaat, maar de bordjes zijn feilloos; ik word regelrecht naar het weelderige ruïnepark van Villa Gregoriana gestuurd, de groene oase met watervallen en grotten en oude Romeinse tunnels en aquaducten en… 
Het hek zit dicht. Het gigantische gietijzeren toegangshek zit dicht. Hangslot, alles. Met een beetje een goede bijl zou je dat hangslot kunnen hebben, maar: 1. Dat durf ik nooit, en 2. Waar vind je in een spookstad een beetje een degelijke bijl? 

Op maandag blijkt alles dicht te zijn en die 60.000 mensen liggen waarschijnlijk lekker te Netflixen in hun pastelkleurige huizen. De uitgestorven straten zijn best fotogeniek, dat wasgoed aan de lijntjes ook, het zijn heus een paar mooie plaatjes maar die zijn op geen enkele manier de moeite van drieënhalf uur reizen waard.

Villa d’Este: dicht.
Villa Adriani: dicht.
Alle restaurants: dicht.
Troostshoppen: nee, want ook de winkels zijn dicht. 
Zo veel dichtheid kan zelfs Osmium niet verdragen.

Als er in het zoveelste steegje waar ik al voor de zoveelste keer langsgesukkeld ben in de hoop dat er toch opeens iets open zou zijn - het plaatselijke handwerkmuseum bijvoorbeeld in godsnaam please - ineens daadwerkelijk een deur van een kerk openstaat, maak ik een sprongetje van geluk. Misschien zal zich hier dan iets openbaren, iets wat die lange reis de moeite waard gaat maken; verveling vormt de perfecte bodem voor valse spiritualiteit.

De kerk is niet echt groot en ook niet echt supermooi. Halverwege zit een dikke Chinees. Er ligt gebarsten stationsmarmer op de vloer en het houten bankje kraakt hysterisch wanneer ik erop ga zitten, ondanks de in overdadige hoeveelheid aanwezige A4’tjes met daarop een mannetje dat zijn wijsvinger voor zijn getuite lippen houdt. SSSST! roept ‘ie in Arial Bold Italic.

Twee nonnen met witte sportsokken in hun sandalen lopen gewichtig langs het kruisbeeld en bewonderen daarna de gruizige kerkwand alsof het baby Jezus in levende lijve is. Ze gaan naast mij zitten, terwijl de hele kerk op uitzondering van die dikke Chinees leeg is. Eén van de twee nonnen laat een zacht maar genadeloos knoflookboertje. Gauw vlucht ik de zijbeuk in, wie weet ligt daar de bestemming van deze kansloze onderneming. Maar er ligt slechts gruis langs de wanden en het ruikt er naar asbest. 

Om de rest van Tivoli samen te vatten: ik at een veel te dure maaltijd in het enige restaurant dat open was (best lekker) en kocht een diadeempje waarvan direct duidelijk was dat het me niet stond (maar ik móest het kopen want er was ineens één winkel open en die heette Cliché Boutique bovendien). In de trein zette ik dat lelijke diadeempje op en kreeg vervolgens een boete omdat mijn kaartje niet gestempeld was. Het bedrag van die boete stond gelijk aan twintig van dit soort ritjes die ik me goddank dus niet meer kon veroorloven.